Dat de genade particulier is - pagina 54
44 ontvangen en geboren als kinderen des toorns, onbekwaam tot eenig zaligmakend goed^ geneigd tot kwaad, dood in zonden, en slaven der zonde. En willen noch kunnen tot God niet wederkeeren, noch hare verdorvene natuur verbeteren, noch zich zelven tot de verbetering derzelve schikken, zonder de genade des wederharenden Heiligen Geestes." Dat voorts
uit de „kleine overblijfselen" niets hoegenaamd ten „Wel is deze mag worden afgeleid, sprak ze aldus uit in art. 4 waar, dat na den val in den mensch eenig licht der natuur is overgebleven, waardoor hij behoudt eenige kennisse van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tusschen heigene eerlijk en oneerlijk is en ook betoont eenige betrachtingen tot de deugd en uiterlijken plicht. Maar zoo verre is het van daar, dat de mensch door dit licht der natuur zou kunnen komeet tot zaligmakende kennis van God^ en zich tot Hem hekeeren, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt." En eindelijk dat derhalve, indien er iemand toe komt om Jezus aan te nemen, hij dit alleen kan doen door een voorafgaande inwenWant dat er zijn die, „door de bedige genadewerking, art. 10 diening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, :
:
moet men den mensch niet toeschrijven, alsof hij hem zelven door zijn vrijen wille zou uitscheiden van anderen, als die met even groote of genoegzame genade tot het geloove en de hekeering zouden voorzien zijn (hetwelk de hoovaardige ketterij van Pelagius stelt), maar men moet het aan God toeschrijven." Zoodat het deswege iets is dat „God zonder ons in ons werkt." Iets dus dat „niet in ons teweeg gebracht wordt door middel van de uiterlijke predicatie alleen, noch door aanrading, noch door zulk een manier van werking, dat, wanneer nu God zijn werk volbracht heeft, het alsnoch in de macht der menschen zoude staan bekeerd te worden of niet bekeerd te worden .... weshalve terecht gezeid wordt dat de mensch gelooft en zich bekeert door de genade die hij ontvangen heeft" (art. 12). Men ziet dus wel, dat er op het terrein van onze formulieren geen voetbreed voor onze Universalisten overblijft, om ook maar post te vatten, en dat het dan ook slechts als theologische curiositeit dient geboekt, dat nog kortelings een doctor in de heilige godgeleerdheid schrijven kon: „Te Dordt heeft men de quaestie der algemeene of bijzondere genade onbeslist gelaten!" Denk eens, „onbeslist gelaten"! terwijl men met alle denkbare bedat
slistheid uitsprak, dat niemand Jezus of het heil in hem kan aannemen, zonder een voorafgaande genadebewerking die er hem inwendig
bekwaam maakt. „Onbeslist gelaten"! terwijl men op den meest beslisten toon uitsprak, dat de zondaar op en uit zich zelf algeheellij k onbekwaam is tot eenig zaligmakend goed.
toe
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's