Het heil in ons - pagina 131
!
121 aan ligt, dat deze oppervlakkige geesten er niets van merken als ze weer gevangen zitten, en daarom ook onmachtig zijn om steeds weer met nieuwe tongen lof en eer te geven aan dien levenden redder die daarin juist zijn macht verheerlijkt, dat hij telkens uit nieuwe nooden en nieuwe dooden de gekochten door zijn bloed, naar 's Vaders welbehagen, redt. Gemis aan steeds dieper doordringen van het schuldbesef bij wie om eigen „vroomheid" zoo vaak den broeder durven oordeelen, zou het niet tevens de oorzaak zijn, waarom men ten 80. op Gods kinderen den uitroep niet dorst toepassen: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van dit lichaam dezes doods," en zich bij den wedergeborene en vrijgekochte en tot Gods kind aangenomene dit diepe gevoel van verlorenheid niet kon verklaren. Och, het hangt er maar aan, waarin uw rustpunt ligt. Weet en belijdt men dat het er niet toe doet, wat wij van ons zelf oordeelen en gevoelen, maar dat het eeniglijk over ons wel en wee beslist, of en wat Christus, de Zone Gods, dat Eeuwige Licht, over dan zal men ook voetstoots ons denkt in zijn heilige gedachten, toestemmen, dat men verloren kan zijn als men meent te leven, en omgekeerd een gevoel alsof men verloren was juist dan over zich kan krijgen, als onze beslotenheid in het bundelke der levenden boven
—
allen twijfel vaststaat.
Zoekt men dus zijn rustpunt in eigen gewaarwording, in eigen bevinding en zielservaring, dan moet men wel onwaar worden, zichzelf opdringen wat er niet is, en al de dagen zijns nieuwen levens zichzelf en anderen misleiden door het altijd zich bekleeden met zijn zondagsgewaad, o, Die armelijke opgeschroefde, altijd in een rol spelende zielen! Maar ze kunnen niet anders. Want ze vcioeie.T\. zichzelven vasthouden. En zoo komt aan het afmatten geen eind, en moet men om niet geheel in de wanhoop te slaan, dat „o ik ellendig mensch," want .... of men wil of niet, wel van den onbekeerde uitleggen, ware het anders .... ai mij, die valschelijk opgewonden vromen! hoe jammerlijk ploften ze dan bij het afsmelten der Jcarws- vleugelen in de wateren van vertwijfeling en van onverzegeldheid neer Maar neemt men zulk een vlucht niet, blijft men af van die hooge en al hooger dingen, en wandelt men met het „Ainmi" en „Lo-Ammi" tot levensspreuk op de vlakke paden van Gods Woord, o, dan weet men uitnemend goed uit eigen verleden, dat het bekennen van „zijn eigen ellende," dat het bekennen: Ik ben een ellendig mensch"; dat het er voor uitkomen: „Ik ben zulk een diep ellendige, dat ik mij zelf niet redden kan en naar een ander om verlossing roepen moet," zeer verre van in den onbekeerde te vallen, veeleer lijnrecht tegen vleesch en bloed indruischt, en ook bij ons nooit over de lippen kwam, dan toen we, dés onbewust, in het diepst des harten het zaad des nieuwen levens reeds hadden ontvangen.
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's