Honig uit den rotssteen - pagina 113
!
99
XXXVI. o^yrccïjtcn
ban
l^art.
den Heere, en verheugt u, rechtvaardigen; en zingt vroolijk, al gij Psalm 32 11. oprechten van harte Verblijdt u iin
gij
:
Den
zwiuirsten
kamp
heeft
een
kind des Koninkrijks
te
bestaan
niet de onoprechtheid.
uUedaagsche, uitwendige onoprechtheid, die in het en het bedriegen van zijn naaste bestaat. Want ook daartoe zit de verleiding, evenals tot elke andere zonde, hem wel in het booze hart; maar geleerd door Woord en Geest, dat liegen en bedriegen „de eigen werken des duivels" zijn, liet hij, in 's Heeren kracht van dien moedwilligen duivelsdienst toch af. Het Woord gebood: „Spreekt de waarheid een iegelijk met uw naaste;" en door de kracht van dat Woord deed hij het. Neen, de onoprechtheid, waar Gods kind tot aan zijn dood meê worstelt, zit van binnen, gaat veel dieper en raakt heel zijn innerlijk bestaan voor God Alwetend. Daarom maande God Almachtig den vader der geloovigen reeds: „Wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht;" heet het in Psalm 25: „Laat de oprechtheid en de vroomheid mij behoeden;" verbaast Christus zich over Nathanaël, een doorzichtige ziel, „in Avien geen bedrog, ja waarlijk geen bedrog werd gevonden;" en blijft het de groote, heerlijke profetie des Nieuwen Testaments, „dat de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid.'" Over de vraag nu, wat God de Heere met die oprechtheid bij zijn kinderen bedoelt, geeft de diep inleidende 32ste Psalm licht. De worstelaar, die in dien Psalm onder Geestesleiding zijn ziel uitgiet, is een kind van God, maar een kind van God, dat afweek, struikelde en in zonde viel; en nu, na in zonde gevallen te zijn, onoprecht voor zijn God had gestaan. Na zijn zonde had zijn Vader die in de hemelen is, hem opgezocht; hem met het heilig, goddelijk, ontdekkend oog pogen aan te hem in dat aanzien willen wonden en verbinden tevens. zien Maar dien ontzettenden aanblik van Gods heilig oog had het gevallen kind van God niet aangewild, niet aangedurfd. Hij had niet En toen hij zeer goed tot God opgezien, toen God op hem neerzag. voelde en begreep, dat de Heere wilde, dat hij spreken zou, toen had hij niet gesproken, maar gezwegen. David verhaalt het zelf: „Toen ik zweeg was uwe hand dag en nacht zwaar op mij, mijn sap werd veranderd in zoraerdroogte." En dat zwijgen was valsch van David, Niet
liegen
;
met
tegen
die
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's