Het heil in ons - pagina 75
65
rondweg belijden moeten, dat er schier niemand huidendaags waren op de markt der geesten uitstalt of er ligt wormstekige vrucht met de goede in eenzelfde korf gemengd, en allerminst met toepassing op ons zei ven aan die belijdenis ontkomen kunnen, waarom zou er dan bitterheid in de ziel grimmen tegen een dolende op nog eenzame paden, alleen wijl hij op een anderen doolvveg afweek dan wij. Neen, wat er bij het pleiten voor deze vierschaar der heilige waarheid zijn mag en zijn moet, is die ernst, waaraan ieder speurt dat het pleiten meenens gaat; is dat heilig enthousiasme, waarin de ook,
zijn
vreugde
dat
men verwaardigd
wordt, in zoo gewichtig geding een ongeveinsd toornen tegen al wat aan de eere Gods en zijn waarheid te kort doet; maar juist om tot dien ernst bekwaamd, om met dat enthousiasme bezield, om tot dien toorn gerechtigd te zijn, dient er van uit de diepte en niet van uit de hoogte gesproken te worden en blijve men zich, vooral in den strijd tegen de leer der Yolmaakbaarheid helder van eigen onvolmaaktheid bewust. te
tintelt,
mogen meêpleiten;
is,
ja,
zelfs
Het vraagstuk dat hiermee te berde komt, dient in dezer voege te worden omschreven: „Is het al dan niet den wedergeborene mogelijk leven tot zulk een trap van heiligheid te geraken, dat in gedachten noch in woorden noch in werken de allervolmaaktste wet des Heeren meer overtreedt?"
reeds hij
in
dit
noch
aan ons, we kozen liever déze korter formuleering: kind van God reeds vóór of eerst in zijn sterven algeheellijk zijn zondaarsnatuur uit?" Maar wijl van den kant onzer tegenstanders (zooals hun oppervlakkige beschouwing dit meebracht) schier nimmer op 's menschen natuur, maar bijna uitsluitend op de zondige of heilige uitingen, al de kracht van hun pleidooi is gericht, dunkt ons de eerst gegeven omschrijving verkieslijk. Op deze vraag nu is door de Christelijke Kerk in deze landen, en voegen we er van heeler harte bij, overeenkomstig Gods Woord, steeds geantw^oord: „Neen, dat kunnen we niet, want ook de allerheiligsten, zoolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid; doch alzoo, dat ze met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods beginnen te leven!" (Heidelb. Ct. vr. 114), om eerst „na dit leven tot deze voorgestelde volkomenheid te geraken". (Ibidem vr. 115). Geheel in gelijken geest als de Kerk in haar Belijdenis, met het woord van Guido de Bres, beleed: „Wij, t. w. de kinderen Gods, kunnen geen goed werk doen of het is besmet door ons vleesch en ook strafwaardig" (art. hiermee in overeenstemming sprak de Synode van 24). En Dordrecht zich bij het stuk van de volharding der heiligen in dezer j,
Stond Schudt
III
het
een
5
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's