Dat de genade particulier is - pagina 131
:
121 ik wil dat waar ik ben ook zij zijn zullen, die Gij mij uit wereld gegeven hebt" (17 34). „Gelijkerwijs Gij mij macht gegeven hebt over alle vleesch, opdat al wat Gij mij gegeven hebt, ik „Ik heb uwen naam geopenhun het eeuwige leven geve" (17 2). baard aan de menschen die Gij mij uit de wereld gegeven hebt, ze waren uwe en Gij hebt ze mij gegeven^' (17 6). „Mijn Vader die ze mij gegeven heeft is meerder dan allen en niemand kan ze uit de hand mijns Vaders rukken" (10 29). „Dit is de wil mijns Vaders, die mij gezonden heeft, dat al wat Hij mij gegeven heeft, ik daaruit ,/Vader,
de
:
:
:
:
niet verlieze" (6
:
39).
Een onderlinge verhouding tusschen
geloof en levensoorsprong, die schoonst en volledigst door Jezus in het beeld van den Herder is geteekend. Deze goede Herder toch heeft een kudde schapen, die niet zijn schapen worden doordien zij gelooven, maar, omgekeerd, tot geloof komen, omdat ze zijn schapen zijn. Er staat toch duidelijk, „Gij zijt mijn schapen niet, want gij gelooft niet"; maar vlak niet'anders „Gij gelooft niet, ivant gij zijt niet van mijne schapen. het
:
(10
:
26).
Die schapen komen niet eigener beweging naar hem toe, maar worden hem gegeven: „Mijn Vader heeft ze mij gegeven" (10 29). Maar eens aan den Zoon gegeven, dan kent Jezus ze ook bij name al kwamen ze nog niet, en kennen ze zijn stem op het eerste hooren :
zijn stem en hij roept zijn schapen bij name en en gaat voor hen heen en zijn schapen volgen hem, overmits zij zijne stem kennen" (10 3, 4). „Hij kent de zijnen en wordt van de zijnen gekend" (10 14). „Mijne schapen hooren mijne stem en ik ken dezelve en zij volgen mij" (10 27). Het staat dus zóó, dat uit de geheele wereld een iegelijk mensch, die in den Zoon van God gelooft, het eeuwige leven heeft. Maar de quaestie, waarop het nu aankomt, die alles afdoet en beslist: wie ten geloove komt? moet alzoo beantwoord: allen zonder uitzondering, maar ook alleen diegenen die door den Geest wedergeboren en door den Vader aan den Zoon gegeven zijn. Deze alleen, want „daarom heb ik u gezegd dat niemand tot mij komen kan, tenzij het hem gegeven zij van den Vader" (6 65). „Waarom kent gij mijn sprake niet? Het is omdat gij mijn woord niet kunt hooren" (8 43). Niemand kan tot mij komen tenzij de Vader hem trekke" (6 44). Maar ook die allen. „Een iegelijk die uit de waarheid is hoort mijne stem" (18 37). „Wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ik ze allen tot mij trekken" (12 32). „Al wat mij de Vader gegeven heeft, zal tot mij komen" (6 37).
„De schapen hooren
leidt ze uit
:
:
:
—
:
:
:
:
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's