Dat de genade particulier is - pagina 143
133 dat
wondere
God!"
werk van eeuwige genade vooii den naam van mijn
Nu
spreekt het wel vanzelf, dat op die ideëele hoogten des geloofs alleen zij kunnen verkeeren, die, onder de golven en de baren des Almachtigen heen, op den Rotsgrond te staan kwamen. Maar, ook al is dit zoo, toch kan dit voor de kerk van Christus en voor de predikers van het Woord in haar midden nooit een vrijbrief
met bewustzijn
worden om zich op een lager standpunt te plaatsen. De kerk is en moet zijn de getuige Gods voor het hoogste. Ze mag nooit aflaten van het heiligst ideaal der heiligheden.
Iets wat te eer en te meer herinnering behoeft, omdat er zoo duizenden bij duizenden onder het Christenvolk zijn, die ook nu nog bij den Christus staan blijven en tot den Drieëenigen God niet opklimmen. Ze vergeten dat Jezus Middelaar was en is en niet anders dan „Middelaar" zijn wil, d. w. z. middelschakel tusschen den gevallen zondaar en den Drieëenigen God. Middelaar is een verbin dingslid, een brug, een overgang, een middel ter ver- en ter hereeniging In het denkbeeld zelf van „Middelaar" ligt het dus, dat we niet bij Hem mogen blijven staan, maar door Hem moeten komen tot den Vader. Dat nu wordt voorbijgezien; vergeten; niet geteld. Zoo sterk voorbijgezien, dat b. v. de eenzijdigheid der
Hernhutters,
die schier voorbedachtelijk eeredienst en lied niet dan
den Middelaar staan blijven en in hun bij uitzondering tot den Drieëenige zelven doordringen, ternauwernood meer wordt gevoeld. En al geven we nu van harte toe, dat het onder de kerk- en re veil-Christen en op verre na niet zóó eenzijdig toegaat, toch kan noch mag het oog er voor gesloten, dat ook onder de geloovigen van onzen tijd de eeregeving aan den Middelaar en aan dien Drieëenigen God, tot wien de Middelaar leiden wil, én in den eeredienst én in onze gesprekken én voor ons zielsleven, vaak in omgekeerde verhouding staat van wat ze zijn moest. Het besef is verzwakt, dat men, ook bij de genadige tusschenkomst van den Middelaar, zelf persoonlijk, in nood en dood, ja, elk oogenbhk, te doen heeft met den levenden, ontzaglijken, Drieëenigen God. En hierdoor is het dan ook zoo natuurlijk gekomen, dat onze rechtzinnigheid almeer met het „Onze Vader" in pijnlijken strijd is geraakt. In het „Onze Vader", dat ons de Middelaar op de lippen lei, is het van den aanvang af die levende, Drieëenige God, naar wien 'het hart des bidders rechtstreeks uitgaat; en het is niet eigen heil noch ook de redding van den broeder, maar wel waarlijk de eere, de roem, _
bij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's