Het heil in ons - pagina 145
;
135
ook
met
deze aangrijpende Johanneïsche ethiek niets ter en er eer nog verdriet aan moeten beleven. Denk, om u hiervan voetstoots te overtuigen, slechts even in tot welke onmogelijke gevolgtrekkingen de Perfectisten komen moeten, indien ze deze kr.isse uitspraak in den gewonen letterlijken zin als bewijs voor hun stelsel willen opvatten. „Wie uit God geboren is," zegt Johannes, „doet de zonde niet," en „die de zonde doet is niet uit God, maar uit den duivel." Dat geldt dus in volstrekten zin van een ieder en een iegelijk. Van alle bekeerden. Ook van de pas toegebrachten. Niet slechts van de „allerheiligste", of „bevestigde" of „meer gevorderde Christenen", maar van alle verlosten, van alle wedergeborenen, van allen die in der waarheid kinderen Gods. zijn en heeten mogen Yan deze allen zou dus door den apostel Johannes geleerd worden, dat ze, van het oogenblik hunner toebrenging af, nooit of nimmer gezondigd hadden, en dat om de eenvoudige reden, dat ze niet meer hadden kunnen zondigen, want dat „zulk een, die uit God geboren is, niet zondigen kan." Er zou al meer uit volgen, dat allen zonder onderscheid die, na het oogenblik waarop ze zich hadden ingebeeld wedergeboren te zijn, ooit, wanneer ook, in het groot of klein, aan eenige zonde in woorden, werken of gedachten schuldig hadden gestaan, daardoor bewezen waren valschelijk zich als kinderen Gods te hebben voorgedaan, zich volslagen omtrent Gods leiding met hun ziel te hebben vergist, en van achteren bleken niet uit God te zijn, maar nog uit den duivel. Er zou uit blijken, ja, dat deze volmaakbaarheiddrijvers zich zelfs totaal vergisten omtrent zichzelven, door voor te geven, dat ze wel reeds vroeger uit God geboren waren, maar daarna nog eerst een periode van halfheid doorleefden, waarin ze nog nu en dan zondigden en eerst na afloop daarvan in den volmaakten staat waren overgegaan. Want dat ze, volgens Johannes' stellige uitspraak, al dien voorgaanden tijd dat ze nog nu en dan zondigden, nog geheel buiten de wedergeboorte, buiten het nieuwe leven hadden gestaan en verpand waren gebleven aan Sathan. Kortom, dorsten deze afgedoolde broederen leeren, dat er nooit of nimmer bij eenig kind Gods, oud of jong in den weg, een zonde hoe gering ook voorkwam of kon komen, dan, o, gewisselijk zou hun leer met de letterlijke opvatting van 1 Joh. 3 9 uitnemend rijmen. Maar nu ze, geheel in strijd hiermee, het u aanpreeken, dat een uit God geborene, aanvankelijk nog wel zondigt, en eerst later, eerst door een acte van vernieuwde algeheele toewijding in de hoogere sfeer van het „nietzondigen" overgaat, nu spreekt het vanzelf dat ze den letterlijken zin van Johannes' woord niet mee, maar tegen zich hebben, en zelf niet aandurven wat ze ons voorhouden als door Johannes heidsleer"
wereld gebaat
zijn,
:
—
:
geleerd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's