Heils termen - pagina 184
174 heilig
lied
ÏVankrijk
met telkens wisselenden toon gezongen was in het voortbrengen dezer letterkunde
wordt. rijk.
Vooral
Een diep
gevallene, interressant juist wijl ze viel, door haar schuld juist tot dieper meelij bewegend, om de diepte van haar ellende een te belangwek-
kender voorwerp van mededoogen, dus luidt het roerend thema, dat in nimmer eindigende variatiën door deze klasse van schrijvers wordt bespeeld. En toch ook die afdoling was begrijpelijk. Wie geen hoogere verzoening, geen verzoening door goddelijke liefde kent, moet zijns ondanks der verzoening hulde brengen, door ze te zoeken in de erbarming van het eigen hart. Die aandrift, juist wijl ze een afspiegeling in omgekeerde verhouding van goddelijke liefde is, moet meeslepen, moet het hart vermurwen, en onder dooding van den prikkel des gewetens, een zucht instorten naar oprichting van het gevallene,' een valsche wee niet ongelijk, nooit redding baring kan, wijl ze die, het beginsel van gerechtigheid in haar ziekelij ken weemoed verstikt. Evenzoo verwant hiermee is de ziekelijke bestrijding van het Farizeïsme, die men thans vaak in Christelijke kringen ontmoet. „Ga van my uit, ik ben heiliger dan gij," roept de Farizeër, en „hij dankt dat hij niet is als die." Tegen dat onbarmhartig, meedogenloos vertreden van den schuldige, waakt terecht de geest der ontferming in Christus gemeente op. Maar helaas, in haar ijver tegen het Farizeïsme, slaat ze maar al te vaak in ziekelijke voorliefde voor het gevallene over. Gelijk een heelmeester het liefst een gevaarlijke kunstbewerking verricht en den arts zijn bedenkelijke kranken het meest waard zijn, zoo achten ook sommige Christenen thans de ver afgedoolden vaak oneindig belangwekkender dan de minder schuldigen, die men, in zijn dringende zorgen voor „zondaars en zondaressen," vergeet. Er zij een brave huismoeder, die hulp voor hare kinderen behoeft, en schier niemands hand opent zich willig, maar ook, er zij een ontuchtige vrouw, die van levensbetering reppen dorst, en ijlings vindt men een menschenhart tot haar hulpe gereed. Ook hiervan oordeelen we, dat de machtiger beweging van liefde, waartoe het zondige ons verwekt, een hooger aantrekkelijkheid moet oefenen; maar dat ook hier verbreking van het evenwicht en ziekelijke eenzijdigheid
niet
kan
het recht van het
uitblijven,
zoolang
welbehagen
men
naast de
niet erkent.
ontferming
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's