Het heil ons toekomende - pagina 254
244 het kindschap Gods zijn volkomen rijkdom bezit en op wien de goddelijke majesteit van bet ambt in vollen omvang rust. Geeft men deze onderscheiding prijs, dan moet er verwarring in onze voorstelling ontstaan; dan beeldt men zich de ééne maal in, dat na de vleeschwording des Woords, de Zoon uit de Godheid was weggegaan, zoodat slechts de Vader en de Heilige Geest overbleef, alzoo op zeer onheilige wijs het éénig en ondeelbaar goddelijk Wezen deelend; dan maakt men zich diets, dat het hart dat aan Christus gelooft, niet weet waarheen zich in den gebede te richten, wijl het schijnt of de Zoon en de Vader niet langer als de ééne God zijn saam te vatten; kortom, dan ontstaat er niet slechts schade voor de formule onzer belijdenis, maar wat erger is, ook ter dege schade voor de practijk van het gemeenschapsleven met onzen God. De openbaring door Paulus in zijn brief aan de Filippensen ge-
geven,
zal
steeds
de
beste
juiste voorstelling terug
kan
leiddraad
blijven,
die
de Gemeente tot
leiden.
De eeuwige Zoon
en blijft in de vleeschwording des Woords is handelend wezen, wiens daad daarin bestaat, dat Hij zichzelven vernietigt, voor zooveel zijn openbaring betreft, en de menschelijke natuur, de gestalte van den dienstknecht, de gedaante des menschen aanneemt, als het orgaan waardoor Hij zijn leven openbaren zal. Die zelfvernietiging is niet schijnbaar, maar wezenlijk, zóó wezenlijk, dat Hij niet de volwassen menschelijke natuur, maar de menschelijke natuur van het nog niet geboren kind, van de eerste levenscel in het oogenblik der ontvangenis aanneemt. Naarmate nu die menschelijke natuur zich uit haar windselen loswikkelt, komt ook zijn persoonlijkheid allengs tot bewustzijn. Tot bewustzijn van het nog jonge kind eerst: daarna zich steeds ontwikkelend tot het bewustzijn van den mensch, tot Hij ten leste als mensch zich zijner waardigheid als Messias bewust wordt en dit voleindt in het heilig bewustzijn, dat Hij is de „Eeuwige Zoon." Nog altijd blijven we van meening dat onze vaderen dit het ziii verst hebben uitgedrukt door te leeren, dat Hij de goddelijke en menschelijke natuur in één persoon vereenigde, en blijft ons dunken, dat de Athanasiaansche belijdenis ter ontsluiering van dit mysterie het zuiverst beeld koos, door te wijzen op de tweeheid van ziel en lichaam in de eenheid der menschelijkheid. Beide ziel en lichaam behooren tot de wezenssoort van den mensch. Het lichaam is niet slechts een tijdelijk omhulsel, maar het door God verordineerd openbaringsorgaan voor het leven der ziel. Toch staan beide tegenover elkander. Er zijn dingen die de geest, er zijn er andere die het lichaam doet. Het lichaam wascht zich, kleedt zich, eet, drinkt. Daarentegen niet het lichaam, maar de geest denkt, wil, het lichaam eet, maar ik eet; niet streeft. Toch zeggen we nooit mijn ziel wil, maar ik wil. En terecht w^ijl in de persoonlijkheid des het
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's