De leer der Verbonden - pagina 27
17
gemeente zochten uit te roeien, de waarachtig-e wijsheid Gods die predikanten werd gevonden, maar gevonden werd bij dat eenvoudige boerinnetje, dat aan zulk een Drieëenheid bestrijdend dominee ten bescheid gaf: „Dommenee, ou haolt mijn God weg!" En het is om geen andere reden, dat er ook in de Heraut onlangs zonder aarzelen en op het onbewimpeldst geprotesteerd is tegen en gewaarschuwd is voor de eerste pogingen, om opnieuw de pas herwonnen belijdenis der Drieëenheid los te maken, die tot onze diepe smart, aan de Utrechtsche hoogeschool in het werk werden gesteld door den anders ook door ons zoo hoog gewaardeerden Dr. Doedes; en dat zonder dat er van de zijde zijner ambtgenooten een enkel woord van protest gevolgd is. De gemeente mag daar niet zwijgend onder verkeeren. Er komt bij zulke droeve gebeurtenissen geen aanzien des persoons tepas. Het gaat hier om de kennisse van den eenigen waarachtigen God. Het is een opensnijden van de levensader, die, eenmaal geopend, de kennisse Gods in de gemeente moet doen doodbloeden. Zonder een ootmoedige, dankzeggende, maar ook onverholen en onverminkte belijdenis van Gods Drieëenheid is, thans zoogoed als voorheen en voor immer, de levenswortei van Jezus' gemeente gekwetst. Op die belijdenis rust dan ook het Verbond. „Op die belijdenis'*, let wel, dat beteekent niet, op het nazeggen van dit raadselachtig geheimnis; maar op de belijdenis van een God die leeft; die er van eeuwigheid was; die van eeuwigheid zich zelf genoegzaam was; en die ook zonder schepsel van eeuwigheid zalig kon zijn, omdat Yader, Zoon en Geest elkander liefden en dus leefden in en door elkaar. Een belijdenis alzoo niet van een gedachte, maar van een feit, van een eeuwig aanzijn, van dat groote, aanbiddelijke, Goddelijke aanzijn, dat er van eeuwigheid was, eer er ooit één enkel schepsel geademd had, en waarin voor alle schepsel zijns aanzijns oorsprong ligt en zijns uit de
niet bij
levens doel. Staat nu tevens vast, dat, naar we een vorig maal zagen, meerdere personen, die geenen meerdere boven zich hebben, niet saam kunnen leven, of ze moeten in verbondsbetrekking treden, dan zal de eenvoudigste thans kunnen inzien en doorzien, dat wie een eeuwig God belijdt, die Zich zelf genoegzaam is, en dus de bronnen om te kunnen lieven en dus zalig te zijn, in Zich zei ven vindt, er niet van tusschen kan, of hij moet ook belijden, dat in het eeuwig Wezen drie Personen zijn, t. w. de Vader en de Zoon en de Heilige Geest; dat deze drie Personen onderling even gelijk zijn; dat er boven deze drie Personen niets of niemand staat; en dat derhalve de levensbetrekking tusschen Vader, Zoon en Heiligen Geest van eeuwigheid af niet anders kan hebben gerust dan in Verbondsbetrekking. Men merke er toch wel op, dat verbondsbetrekking niets anders zeggen wil dan dit: „Wij regelen onze wederzijdsche betrekking zelf,
V
2
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's