Het heil ons toekomende - pagina 192
:
182
met de zeven zegelen," waarvan geschreven
Lam
waardig
geacht
het
is
boek
te
staat,
openen en
dat „alleen het
zijn zegelen te ont-
sluiten."
Yan een „boek" wordt in deze verschillende beteekenissen gesproken, om daarmee de vastheid en onwankelbaarheid van de kennisse en voorkennisse Gods uit te drukken. Wat wij niet willen vergeten, schrijven we op. Wat we alleen uit ons geheugen weten, kan falen; wat zwart op wit staat blijft. Het deel onzer kennis dat op mondelinge overlevering steunt, ondergaat telkens verandering; wat in steen gegrift of op het blad geschreven werd, blijft wat het was. Door van een „boek voor Gods troon" te spreken, bedoelt de Schrift derhalve, dat de kennisse Gods niet een onzekere, wisselbare en zwevende, maar vast, onveranderlijk en onfeilbaar is. Openbaart ous nu de Schrift, nii't dat er in dat boek een voorwaarde staat opgeteekend, maar wel dat er namen in dat boek des Levens geschreven staan, dan is hiermee alle twijfel weggenomen over de verkiezing der enkele personen. Keeds „eer die dingen er waren," „van voor de grondlegging der wereld," waren dus in de eeuwige gedachtenisse Gods die hoogheilige namen, waarvan de Heere tot Johannes „Hem die overwint, Ik zal hem geven een witten keursteen, zegt en op dien keursteen een nieuwen naam, dien niemand kent dan de Heere en die hem ontvangt." Daarmee in overeenstemming wordt ons gewezen op het vaste fundament Gods dat staat, hebbende dezen zegel: De Heere kent de zijnen, en, een iegelijk die den naam des Heeren aanroept, sta af van ongerechtigheid." (2 Tim. 2 19). Even stellig zegt Paulus „Die, d. i. de personen, die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, en die Hij verordineerd heeft, deze heeft Hij geroepen, en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt," waar de apostel blijkbaar de eeuwige voorkennis op dezelfde personen doet slaan, die van achteren blijken zullen voorwerpen der rechtvaardigmaking en verheerlijking te zijn geweest. 18: In geheel denzelfden zin getuigt Jezus zijn discipelen, .Joh. 13 „Ik zeg dit niet van u allen. Ik weet welke Ik uitverkoren heb." Of wil men het sterkste, maar dan ook alles afdoende bewijs, men denke dan aan Ezau en Jacob, van wier praedestinatie de Apostel letterlijk schrijft „Want als de kinderen nog niet geboren waren noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast hleve, niet uit de werken, maar uit den roepende, zoo werd tot Eebekka gezegd: „De meerdere zal den mindere dienen," Eom. 9 11, 12. Yoegt men hierbij het woord des Heeren tot den profeet: „Eer Ik u in uws moeders buik formeerde heb Ik u gekend!" en dat andere: „Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde," dan zal wel niemand tegenspreken, dat, moet en :
:
:
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's