Het heil in ons - pagina 223
218 alles doet om anderen een goeden dunk van zich te geven en zijn hoogste levensdoel bereikt acht, indien het hem gelukt, bij zijn omgeving als onberispelijk van gedrag, vriendelijk van humeur, fatsoenlijk in de vormen en ontwikkeld van geest bekend te staan. Vooral aan den manlijken leeftijd en het cholerisch temperament is deze levens-
vorm eigen. Maar ook op
gelijke wijze als vroeger, zoekt een ander deel der menschheid thans afleiding in afgoderij. Vooral op zeer jeugdigen en op ouden leeftijd, 't sterkst bij dwepende naturen, doet zich dit verschijnsel voor. Wat men eertijds als godin Fortuin aanbad, is thans de aanbidding van het geluk, van beursspel en kansberekening. Minerva weer opgestaan in den fetischdienst van het genie. Venus is de is aanbidding van het schoone. Mercurius is het dwepen met materiƫele welvaart. Men spreekt thans van zijn Ideaal, van de Publieke Opinie, van den Tijdgeest en gelijksoortige machten, als van heerschende geesten, wier invloed stellig niet minder is, dan eertijds de invloed
der afgodsbeelden was. Voldoening voor de eischen van het innerlijk gemoedsleven door eigen vinding uit te denken was daarbij eertijds, gelijk het nog is, de leidende kracht. Men zocht gemeenschap met de w^ereld der oneindige dingen. Vandaar de hooge roep, waarin de orakels van Delphi en Egypte stonden. Vandaar de heiligheid, die aan de priesters, als organen der godheid, werd toegekend. In hen, als plaatsvervangers van het Ongekende Wezen en gerechtigd om in naam der godheid te spreken, meende men metterdaad terug te hebben gevonden wat men, door zijn afsnijding van het leven Gods, verloren had. Zoo ziet men ook thans weer een deel der menschheid, dat reeds door Mesmerisme en Spiritisme gemeenschap met bij millioenen telt, het onzichtbare zoeken en acht het grooter deel der gedoopte Christenheid in Eomes kerk, metterdaad in den priester, het middel te bezitten, om in rechtstreeksche gemeenschap met het goddelijke te treden. De onfeilbaarverklaring van den paus sproot uit geen andere zucht, dan om de rechtstreeksche gemeenschap met het goddelijke Wezen te herstellen.
De
toestand, waarin de zondaar verkeert,
dat hij, is derhalve deze onrust gebracht, behoefte gevoelt aan gemeenschap, maar of aan die behoefte in zondigen trots het zwijgen oplegt, of in overmoed zichzelf in staat w^aant om die behoefte te bevredigen. Hij kan God niet verstaan, want door de zonde is hij van Hem afgescheiden; hij kan evenmin tot God spreken, want hij kent God niet, weet niet waar Hij is en hoe hij tot Hem zou moeten naderen, en kan dus metterdaad, aan zichzelf overgelaten, slechts hoogmoedig of overmoedig worden, tenzij hij zijn eigen ziel verbrijzelen en ver-
door
God
:
zelf in
'
breken wil. Daartoe nu
is
reeds
genade
noodig.
Keeds
genade,
om
op dat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's