Heils termen - pagina 122
113
—
maar de Gemeente in haar wording. Niet alle bestreden worden uitverkorenen in de Gemeente zijn reeds ontdekt. Er zijn er, wier vreugdevolle toebrenging nu nog slechts door den Heere wordt voorbereid en eerst in volgende jaren een geloofsfeit voor het eigen hart zal zijn. Er kunnen er, naar het eenparig getuigenis onzer Vaderen, onder de leden der Gemeente zijn, wier geloofsopenbaring steeds voor de Gemeente verborgen blijft, en die eerst in de ure des doods dien lichtstraal des Geestes opvangen, die leven uitstort in den dood. Meer nog, er kunnen ongeloovigen in de Gemeente zijn, die zelf nimmer ten leven komen, maar nochtans in hun lendenen een geloovig zaad dragen, dat den Heere zal worden toegerekend. Kortom, de heilige lijnen waarlangs de kracht van het genadeverbond zich voortbeweegt, zijn niet in kaart te brengen, kunnen door geen menschelijk perk worden aangewezen, blijven steeds een geheimnis des geestelijken levens, en toch alleen door die lijnen wordt de grens der Gemeente bepaald, die geheiligd is in den Zone Gods. Yan die „heiliging" op den verborgen achtergrond des geestelijken moet haar uitwendige heiliging scherp onderscheiden levens, worden. De Gemeente blijft niet in het verborgen schuilen; maar treedt ook in de wereld op. Hier echter kan haar voltooide heiliging slechts eene flauwe afschaduwing vertoonen van die andere heiliging, die voltooid is in de diepten van den geest. Gelijk men weet is de Doop van die zichtbare heiliging het teeken, en daarom belijdt de Gemeente bij dit Sacrament der Barmhartige Liefde, „dat haar kinderen in Christus geheiligd zijn." De voorafschaduwing, de voorbeduiding van dien Doop zocht de Kerk alle eeuwen door in den Zondvloed en den doorgang door de Eoode Zee, en zeer ten onrechte heeft een ongeestelijke oppervlakkigheid zich in later dagen aan de diepe opvatting van het Doopsformulier geërgerd, waar het ons met nadruk naar de Godsdaden der heiliging verwijst. Door het water van den Zondvloed werd het tweede menschdom geheiligd, d. i. werd Noach, als stamvader der menschheid, na den Zondvloed afgescheiden van het destijds levend ongeloovig geslacht. Noach met de zijnen was destijds het goede, zijn tijdgenooten waren het kwade element, en God de Heere scheidt door zijn ontzachlijk gericht dus hier het goede van het kwade af. Evenzoo bij de Eoode zee. Egypte's volk in zijn hoovaardigen Earao vertegenwoordigd heeft het tegen God Almachtig op het uiterste gezet. Eeller, bewuster woede van zondige onmacht tegen de hoogheid des Heeren, dan Farao's worsteling met Mozes ons toont, is op aarde niet gezien. Te midden van dat volk nu leeft Israël. Als volk stug en hardnekkig, en allerminst geloovig te noemen, is het toch het volk des Heeren; niet om wat het zelf is, maar om den Messias-zegen, dien het in zijn lendenen draagt. Eerst zijn beiden, het volk dat Gode vijandig is en het volk, dat God zich heeft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's