Practijk der godzaligheid - pagina 124
116 hoed laat waaien, maar een ons opgelegde plicht, die zeer ernstige verantwoordelijkheid meebrengt. En juist waar nu op de markt der wereld zoo velen dit niet kunnen of willen begrijpen, moesten juist de Christenen in den lande het voorbeeld geven, van ook in deze den ernst des levens, die in plichtsbesef en besef van verantwoordelijkheid spreekt, niet langer te laten struikelen in hun vergaderingen zijn
en vereenigingen.
Kortom, behoudens alle ruimte, die ook wij laten voor wijs overvoor bezonnenheid en waardigheid, moet niettemin de regel weer opgerecht, dat men nooit als „persoon met gezag bekleed'^ handelen mag naardat men zou moeten handelen als „privaat persoon". Maar wat is nu het stuitende? Dit, dat terwijl men telkens „personen met gezag bekleed" slap en laf ziet optreden, waar de ernst van het gezag moest verdedigd en de eere der wet gehandhaafd, diezelfde personen in hun' „privaat leven'* juist omgekeerd vaak overprikkeld en overgevoelig zijn. Zoo verzet men de oude palen en keert Gods ordinantiën om. Op het terrein van het gezag, waar toegeven schuldig stelt, schikt men alles in, en omgekeerd in het private leven, waar toegeven eisch van Jezus is, handelt men telkens ontoegeeflijk en lichtgeraakt. Zoo zinken we al dieper. Van twee kanten tegelijk werkt het kwaad op. In het private leven gaat elk oogenblik het eigen „ik" op zijn beenen staan, is als kruidjeroermeniet zoo prikkelbaar, kan niets langs zijn kant laten gaan, en kookt inwendig van wrevel, wrok en geleg,
kwetste majesteit.
Daarentegen in de gezagswereld, waar niet onze majesteit, die geene is, maar de majesteit van het recht, dat is de majesteit van God zelf elk oogenblik gekwetst en geschonden wordt, is men óf tot versteenens toe onaandoenlijk, óf wel mist men allen moed en alle energie om wat kwaad is te keeren. En daar zit 'em nu de wortel dier valsche, opgeverniste „lijdelijkheid". Geen hand uitsteken en geen vinger verroeren, waar terdege wel toegetast en gehandeld moest worden, om het gezag hoog te houden^ en omgekeerd, al de borstels tegelijk als een egel opzetten, zoodra men maar even merkt, dat iets te na komt aan het eigen ik. Zoo blijkt dus dat van die twee majesteiten die in ons voor kwetsing vatbaar zijn, t. w. de ware majesteit van het goddelijk gezag en de valsche majesteit van het eigen ik, elk onzer van nature geneigd is,
om
vallen, alle
bij
maar
kwetsing van de goddelijke majesteit in het lijdelijke te bij kwetsing van die andere majesteit van het eigen iky
lijdzaamheid te vergeten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's