Heils termen - pagina 194
184
omdat Gij een Welbehagen in hen had" (Psalm „Hij vervulle in ii al het Welbehagen zijner goedigheid" 4). Thess. 1 11). „Yrede op aarde, en in menschen een Wel(2 behagen" (Luc. 2 14). gezichts,
44
:
:
:
Welbehagen
Gods
vormt dus met zijn toorn een lijnrechte Ontbrandt Gods heilige toorn tegen ons, door het ontbreken in den mensch van wat Gods liefde aantrekt en het woelen in ons hart, van wat liefde afstoot, welbehagen daarentegen onderstelt, óf dat dit onheilige nog niet bestaat, óf dat het door de verlossing in Christus reeds verdwenen zij. Denken we ons de menschheid, gelijk ze in haar vergiftigden dampkring gehuld, buiten Christus voor Gods oog leeft, dan wordt geen Engelenzang van „Welbehagen" maar Avel het ontzettend woord van den Apostel over haar uitgeroepen, dat „de toorn Gods van den tegenstelling.
hemel geopenbaard wordt (Hom. 1
:
18).
En
over alle ongerechtigheid der menschen" evenzoo, rust ons oog op den Christus, niet gelijk
en onbesmet is, maar als het Lam Gods tot zonde gemaakt om 's menschen wil, dan klimt ons in de ziel, niet de klank der eeuwige vaderliefde: „in wien Ik een Welbehagen heb!" maar veeleer de stem des brullens van Golgotha: „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij zichzelven
in
hij
onnoozel
met de zonde der wereld beladen en
verlaten!" dit mag dus worden vastgesteld Welbehagen onderstelt in voorwerp, waarnaar Gods liefde zich bewegen zal, iets dat die liefde opwekt, boeit en naar zich doet uitgaan. Tan den Christus wordt dit op het heerlijkst, onder de verpersoonlijking van de Wijs-
Eeeds
:
het
heid,
boek der Spreuken beschreven, als de Wijsheid van „Toen was ik een voedsterling bij hem, en ik was dagelijks zijne vermakingen, te allen tijd voor zijn aangezicht spelende, spelende in de wereld zijns aardrijks en mij n e vermakingen zijn met de menschenkinderen" (Spreuken 8 30, 31). Men ziet, hierin is geen enkele trek, die aan een nederbuigen der genade herin
zichzelve
het
zegt:
:
innert;
de liefdesbeweging, die ons hier geteekend wordt, is allerminst van eéne zijde uitgaande, gelijk bij Ontferming en Barmhartigheid bleek, er is in deze liefdesuiting onzes Gods niets, dat ook maar van verre zweemt naar een geweld doen aan zijn eigen wezen. Integendeel. De liefde Gods wordt hier opgewekt, door wat in den Zoon den Vader tot vermaking en verlustiging is. Er is een zalig spelen van den Zoon in den schoot des eeuwigen Yaders, en wederom een volzalige liefdeblik des Yaders, waarmee Hij in goddelijke vreugde neerziet op den eeuwigen Zoon. Toch mag dit niet zoo verstaan worden, alsof het „welbehagen in menschen" ons van een liefde Gods sprak, wier eerste beweging niet in den Eeuwige te zoeken ware, maar in ons. De majestueuze uitspraak: „Mijn raad zal bestaan en Ik zal al mijn welbehagen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's