Het heil in ons - pagina 229
!
219 die verblinding: van het zielsoog: vaak het sterkst. Zalig zijn de
armen
sprak Jezus, en de dagelijksche ervaring bevestigt het ons nog gedurig, hoe uiterst moeilijk de herstelling van dit geestelijk gezichtsvermogen juist bij de rijken van geest valt. Het is de zonde, die dezen sluier over onze ziel trekt, ons eerst blinddoekt en dan voortstuwt, en haar toeleg voleind heeft, als we, 't niet bespeurende, regelrecht op den rand toeloopen, waar de afgrond zich opent en niets of niemand ons meer kan tegenhouden. Vraagt ge, waartoe ons dan die valsche prikkel van de natuurlijke Godskennis gegeven werd; of het dan niet juist dat halve licht is, of niet menigeen, dat ons oog aftrekt van het volle licht des Woords die nu afdoolt, zich ijlings tot den Christus zou keeren, indien dat schijnsel Gods in zijn werken hem niet aftrok? o, Zeer zeker, dan doet ge een snaar trillen, die in geen menschenhart onbespeeld bleef, maar werpt ge tevens een bedenking op, die niet uit het geloof is, maar uit de zonde. „Opdat ze niet zouden te verontschuldigen zijn," liet God dat schijnsel in zijn werken uitgaan, en gij, dit omkeerend, zoekt er juist een vrijbrief, een verontschuldiging aan te ontleenen! Maar is er dan een komen tot Christus denkbaar, zonder kennis van de diepte der zonde? En is het dan niet juist in die verduistering van het verstand, dat de zonde zich het scherpst teekent? Is niet de zonde door zucht naar zelfverworven kennis ontstaan? Was
van
geest,
;
niet de taal van den verleider: „Gij zult als God zijn^ kennende het goed en het kwaad?'' En is er dan iets, dat zooveel aan onzen hoogmoed kost, ons ingebeeld besef van zelfgenoegzaamheid zoo smadelijk ten toon stelt, ons zoo diep vernedert en in ons zei ven afbreekt, als de overweldigende ervaring, dat w^e, niettegenstaande het licht van alle kanten schijnt en door onze vensteren valt, tocb nooit goed, nooit juist kunnen zien en ons altijd vergissen? Welnu, die kostelijke vrucht der zelfvernedering en verootmoediging zotidt ge nooit inoogsten, indien God zich niet zoo klaarlij k openbaarde in zijn werken. Dan zou de zondaar de schuld op God werpen, zeggende: Hoe zal ik Hem zien, indien Hij zich verbergt? Er zou rust in de zonde zijn, niet slechts voor den verstokten zondaar, die zich in zijn hoogmoed heeft opgesloten, maar rust als regel, voor eiken zondaar, bij de eerste en de laatste zonde, rust in het leven buiten God. Tweede vrucht dier natuurlijke Godskennis is, dat ze voor de noodzakelijkheid en onmisbaarheid eener bijzondere Openbaring bewijs levert. Ze toont dat men verder moet en toch zonder hulp van buiten niet verder kan. Ze legt dengenen, die God zoeken, de bede op de lippen: Heere! ontdek mij het oog, opdat ik U aanschouwe, toon mij uw licht, opdat mijn oogen inzien in uw heerlijkheid Haar derde vrucht is dat ze aan Gods bijzondere Openbaring het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's