Dat de genade particulier is - pagina 47
37 voren opgeschreven zijn'' Een, ik herhaal ontzettende uitspraak, maar die geheel strookt, rijmt en overeenstemt met wat Petrus zelf aangaande zoodanige personen leert, als hij in 1 Petr. 2 8, tegenover de uitverkorenen in vs. 9, de zoodanigen plaatst „die zich aan het Woord stooten, ongehoorzaam zijnde, waartijds tot ditzelve oordeel te het,
:
:
toe zij
ook gezet zijn."
Meent nu iemand de ongerijmde gedachte voor zijn rekening te kunnen nemen, dat menschen, „c?ze gezet zijn om zich aan het Woord te stooten", en „die tot dit oordeel eertijds te voren opgeschreven waren'\ niettemin door den alwetenden Zoon van den alwetenden Yader ontvangen zijn, met de intentie, om voor hen te sterven, welnu, met zulk een is men dan aan het einde van alle tegenspraak
en zet ik althans het debat niet voort. stemt men daarentegen toe, dat dit niet kan, en dat dus 2 Petr. 2 1 naar luid van 1 Petr. 2 8 en Judas 4, niet alzoo mag verklaard, dan is reeds hiermee elke kracht van bewijs voor de tegenpartij gebroken. Voorts zou men er dan nog op wijzen kunnen, dat de vertaling hier onjuist is, want dat voor „Heere" hier een woord gebezigd wordt, w. despota, dat eigenlijk ,,Heerscher" beteekent, en anders nooit t. van den „Verlosser", maar altijd van God gebruikt wordt (ook niet Jud. V. 4). Op grond waarvan vast zou staan, dat de woorden „God, die hen gekocht had", verstaan moesten worden in denzelfden zin, waarin Jehova gezegd wordt: „zijn volk Israël verkregen te hebben", t. w. niet door „het bloed des Zoons", maar door zijn dienstbestelling en wondermacht. B. v, „Ts Hij niet uw Vader, die u verkregen heeft, die u gemaakt en u bevestigd heeft?" (Deut. 32 Iets, wat, 6). overmits er van leeraars of profeten sprake is, zeer wel zou kunnen; op geheel dezelfde wijze, als de Heere Jezus ook van zijn discipelen, niet voor wat hun „ziele zaligheid" aangaat, maar met het oog op hun dienstbestelling zegt: „Die Gij mij gegeven hebt, heb ik bewaard en niemand uit hen is verloren gegaan dan de zoon der verderfenis." Maar zelfs in deze altijd eenigszins gedrongene verklaring ga ik voorshands niet met den hoogleeraar De Moor mede; en acht dat de natuurlijkste en eenvoudigste indruk van deze woorden metterdaad is en blijft: „Jezus, die hen gekocht heeft, verloochenende." Iets, waar ik vooral aan hecht, omdat de man, die dit schreef, er zelf kennis aan had. Want Petrus had zelf zijn Heere, en dat zelfs tot drie malen toe, verloochend! Het best zal dus wel die verklaring loopen, die deze uitdrukking het naast met Petrus' eigen verloochening in verband brengt. En houdt men nu in het oog, dat Petrus eerst later, eerst toen hij bekeerd was, zijn broederen kon sterken, dan wijst én het gebruik van het woord despota voor Heere, én Petrus' eigen verloochening, én het feit, dat deze lieden leeraars waren, er als om strijd op, om deze uittoe,
En
:
:
:
:
:
:
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's