Dat de genade particulier is - pagina 264
!
254 aan
ons
zielsoog,
een gestalte aanneemt en, met gestadige klimming
der wateren, wast. Dat er in de hoogere,
voor
elk
menschelijk peinzen verborgen,
wetten die den ondoorzienen samenhang van het demonische met het creatuurlij ke en wederom van het creatuurlij ke met Gods werken, en eindelijk van Gods werk met Gods wezen beheerschen, een gansch verborgen oorzaak ligt, die zonder in het allergeringste aan de onuitputtelijke liefde Gods te kort te doen, nochtans de zaliging aller zielen eenvoudig tot een ondenkbaarheid maakt, dat, niet waar, hoeft niet eerst een gereformeerd leerboek u te leeren, noch zelfs de Schrift u te openbaren, dat toont de historie der menschen op deze aarde u wel te over en te over niet minder de kennis die ge van geestelijke stompheid of geestelijk opleven ontvingt om u heen. ;
Maar dat toch
beneden
dit feit nu eenmaal onherroepelijk vaststaande, dan Gods waardigheid zou geweest zijn en aan zijn eere
het,
doen, en gansch liefdeloos en machteloos in onzen God om aan de arme schepselen, die in dien nood geworpen lagen, nu niets aan te bieden dan een kans op een onzeker heil; zijn lieven Zoon te laten sterven op risico van zijn heiligbloed misschien om niet te hebben vergoten; en zijn lieve kinderen op aarde tot aan den jongsten snik in angst en vreeze te houden, dat neen, broeders, dat kunt, het misschien alles toch weer wegging, dat moogt ge niet meer gelooven, en indien ge dat gelooven blijft, wat bedroeft en wat verkleint ge dan niet de eere der liefde en o,
zou zou
te
zijn
kort
bevonden,
—
der barmhartigheden van den Heere onzen
En daarom
God
en daarom dankt U, o, wondere, o, alontfermende God, aan het eind dezer overdenkingen, de ziel, die in ons is, dat Gij het bloed uws lieven Zoons te heilig hebt geacht, om het te doen vloeien op onzekere kansen; en dat Gij, wetende, van wat maaksel onze ongoddelijke wil en hoe van U afgekeerd het gedichtsel was van 's menschen hart, niet aan onzen wil ons heil, niet aan de keuze van ons hart onze eeuwige zaligheid hebt opgehangen, maar doorbrekende met goddelijke mogendheid, het alzóó voorzien hebt in uw goddelijken raad, dat er een prijs voor het bloed uws lieven Zoons uit moest komen; dat er een gemeente van gezaligden uit moest wassen; en dat uw lieve kinderen, die Gij gegrepen en gedragen hebt over den afgrond, in de onwankelbaarheid Uws willens eouwiglijk en heerlijk zouden zijn vertroost! Vergeef, bedek, verzoen, wat er in deze redenen onzes monds niet naar de heiligheid van uw huis of naar de volheid van uw zielbevrijdende waarheid was. Reken hun, die tegen uw waarheid ingingen, hun zonde niet toe, maar ontsluit hun veel meer door wondere genade het oog, dat ook zij, bij zuiverder licht, zich op ongedwongen wijs in uw beeld vermaken mogen! En heeft het U dan in uw ondoorgrondelijken raad behaagd, o, Vader van alle barmhartigheden, aller zaligheden Bron en Sprinkader! om, eindelijk, einlooft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's