Het heil in ons - pagina 211
201 herinnering, en dat ze bij voorkeur hun schoonste putten uit de scheppingswonderen. Zoowel het verhevenste hoofdstuk uit de verzameling der Spreuken (het achtste), als het schitterendst deel van Job (hoofdst. 40 en verv.) verliezen zich geheel in den aanvang der dingen, toen de bergen nog niet vt^aren en de aarde werd gegrondvest. Vatten we deze verspreide mededeelingen saam, dan blijkt, dat het een inzicht in Gods deugden en oorspronkelijk menschcngeslacht krachten heeft gehad, die uit het Paradij sle ven ook door den gevallen mensch met zich werd genomen en dat in deze overlevering vooral de scheppingsmajesteit van den hoogen God sterk op den voorgrond drong; dat de aanbidding van dien hoogen God aanvankelijk onder het gevallen menschdom algemeen was, maar van lieverlee is verzóó echter, dat deze verduistering bij den éénen stam duisterd; sneller toenam dan bij den anderen, en bij sommige geslachten de overlevering uit het Paradijs tamelijk, bij enkele zelfs zeer zuiver en langer dan men wanen zou bewaard is. Wat we van de oudste godsdiensten der volkeren weten stemt hiermee overeen. Trekt met stralen uit het punt, waar vermoedelijk het Paradijs lag, dan zijn het de volken aan den Indus, den Tiger en den Eufraat, die het naast aan de bakermat van ons menschelijk geslacht zich ontwikkelden, en juist bij deze volken vindt men de sterkste heugenis van een oorspronkelijke Godheid, van wier dienst men allengs tot de aanbidding van meer goden vervallen is. Hoe ouder een volk, des te zekerder is men, dat men in zijn godsdienst sporen van den éénig waren God ontdekken zal. Er is bij die volken niet een opklinming van het veelgodendom tot de vereering van éénen God, maar omgekeerd, de duidelijkste aanwijzing dat het monotheïsme op den achtergrond van hun geschiedenis ligt en dat ze van minder tot meer goden zijn afgedwaald. Opmerking verdient het, dat het verhaal van den Zondvloed in de overlevering van bijna elk dezer volken is terug te vinden en de overeenkomst van hun oudste sagen met het geschiedverhaal van Adam tot Mozes bij verder onderzoek telkens helderder aan het licht komt. Die Paradijs-overlevering bestond in Ur der Chaldeeën en werd door den patriarch Abraham als grondslag bewaard, waarop door bijzondere openbaring Israels godsdienst zou verrijzen. Die Paradijsoverlevering kenden de wijzen der Egyptenaren en Jethro, de priester in Midians woestijn, en zij drong van die zij nogmaals met frissche kracht in het godsdienstig leven van het Israëlietische volk. Die Paradijs-overlevering werd in korte trekken, onder de voorlichting des Heiligen Geestes, aan den ingang der Heilige Schrift te boek gesteld; kwam in de leerdichten uit Salomo's eeuw tot bezielde ontwikkeling; ze bood het doek waarop de profeten des Heeren de toekomst der volkeren maalden werd in Johannes' proloog opgenomen
van
een
heilige
tafereelen
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's