Honig uit den rotssteen - pagina 298
284 een adem die u tegenwaait, een invloed, die zich gevoelen doet, en het is door het in u opnemen van die geestesiiiting, door het indrinken van dien adem, en door het u openzetten voor dien invloed, dat ge over en in uw hart een ander leven brengt en overgaat uit zonde en doem in heerlijkheid en heiligen zin. En is dat zoo, dan spreekt het wel vanzelf, dat men minder aan het Woord gaat hechten. Indien niet meer het Woord, maar „die levensadem van Christelijke kringen" mijn hart om moet zetten, dan wordt het mij tot op zekere hoogte onverschillig, wat men met dat Woord doet, indien men mij dan maar dien „levensadem" mildelijk toe laat komen. Hangt de bekeering der zielen niet aan het Woord, maar aan dien invloed van den Christelijken geest, dan begrijp ik het volkomen, dat men ijveren gaat tegen dat „staan op de waarheid" en dat waken voor zuiverheid in de leer want wat nut en baat mij dat alles, indien het echte, reine, heerlijke leven mij toch uit die andere bron, geestesuiting;,
;
bron van den „Christelijken geest" moet toevloeien. dat zoo is en indien werkelijk het Woord niet van God tot instrument der levendmaking verordend is, dan versta ik uitnemend dat gedurig weer en nogmaals waarschuwen in de praedicatiën, „om toch te mijden die ijveraars voor zuivere waarheid", daar toch immers „zuiverheid van wandel" veel hooger waardij heeft, en het in het Koninkrijk van God aankomt, niet op onberispelijkheid der tale, maar op den vromen zin en den geest van ernst die ons bezielt. uit die Ja,
als
„Zouder Woord, door den ivandelV' dus luidt dan ook het refrein van dat nieuwst gevonden levenslied. En wie onzer zou dat refrein wraken durven? Of staat het dan niet zoo letterlijk in de Schrift? Is het niet een kernachtig, diep gevoeld woord, herkomstig van niemand minder dan den Apostel Petrus? Toch mag hierbij reeds dadelijk gevraagd, of het niet vreemd klinkt, om die bestrijders van het Woord zich nu opeens juist op dat Woord te hooren beroepen, om hun achteruitzetting van het Woord goed te praten.
Men
zoo zeggen, indien het Woord toch geen afdoend gezag waartoe pleit ge er dan op? Doch ook afgezien daarvan, wie het Woord aanhaalt, doe het dan ten minste zuiver en spele er niet mee. Wat toch zegt Petrus? Is er bij hem ook maar een spoor te ontdekken van dat overgeestelijk en daarom ongezonde streven, om door achteruitschuiving van het Woord plaats te maken vcor een grooteren invloed, die aan onze persoonlijke levensuiting zou zijn toe te schrijven? Niet het allerminste, broeders Want immers juist Petrus is de .apostel, die het groote, machtige woord heeft gesproken, „dat we
meer
zou
heeft,
!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's