Het heil in ons - pagina 134
!
124
Een pas bekeerde uit
geveinsdheid,
leeft gemeenlijk eer boven zijn kracht. Niet juist maar uit overspanning. Omdat het hem nog zoo den gang en het spoor op dat nieuwe levensterrein
vreemd is en hij nog niet kent. Wist dan ook een pas bekeerde, wat valleien der schaduwe des doods nog door zal moeten, hij zou het in de meeste gevallen, als het hij aan hem hing, dadelijk opgeven. Tegen die teleurstelling zou zijn ziel nog niet bestand, tegen die worsteling zijn bevreesd hart nog niet zijn opgewassen.
leeft daarom in het enthousiasme der eerste liefde, in de der eerste genieting, in den zaligen droom van het eerste ruischen van den Geest. Alles is illusie voor hem. Hij leeft in de illusie, dat alle Christenen met wie hij in aanraking komt, heiligen zijn. In de illusie dat alle vromen niets dan God zoeken. In de illusie dat hij de diepte der zaligheid nu reeds indook en wonderwel doorzag. In de illusie dat de wereld geen grijpen, en de zonde geen invloed en de Sathan geen vat meer op hem hebben zal. Ja, in de stille, zalige illusie, dat het
Hij
illusie
nu
tot
den einde toe wezen
zal
„een aldoor zoetekens voorttreden van
heerlijke tot al heerlijker genieting!"
Past daar nu Eomeinen zeven op? Denkt ge in ernst dat zulk een nog bedwelmde van dit hoofdstuk ook maar de eerste letterkens, we zeggen niet spraakkunstig, maar geestelijk verstaat? Acht ge het inderdaad aannemelijk, dat hij ongedwongen, natuurlijk, zonder zich geweld aan te doen, naar waarheid zou kunnen getuigen: zie, dat is nu mijn geestelijk conterfeitsel, zoo ben ik, zoo is het mij te moede, in al zijn strophen en rythmen, is mij de taal van mijn hart Och, eer het tegendeel is waar. Er is bij zulk een eer een te licht tellen van den strijd, een overmoedig inrennen tegen de wallen, een leven in een inbeelding, die zeer verre de wezenlijke kracht overtreft. En dat kan niet anders. Want waar de wet niet gekend is, daar is ook geen kennisse van zonde, en hoe wil, wie de diepte der zonde niet peilde, ook na verlost te zijn, uit zulk een doodsnood van het hart klagen naar den Ontfermer? En evenmin komt men uit met te zeggen; neen, niet een pas bekeerde, metterdaad een reeds ten deele gevorderde Christen spreekt hier, maar dan die gevorderde Christen toch in een oogenblik van inzinking, bijna geloofloos, waarschijnlijk na een diepen val! Leg, om de onhoudbaarheid hiervan in te zien, er Psalm een en vijftig maar eens naast. En wat vindt ge daar? Immers, een onweerstaanbare aandrift van berouw, een schreien om verzoening, en een concentreeren van heel het geestelijk inzicht in die ééne bloedschuld, met haar wortel in die andere zonde, waarin zijn moeder hem ontdat,
vangen heeft! Maar van dit
alles
vindt ge in
Romeinen zeven immers
niets.
Hier
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's