Het heil in ons - pagina 184
174 diepst van zijn wezen weldadig aan te doen, brengt geheel zijn innerlijk bestaan in gestadige siddering en verschrikking. Wie zal nu beweren, dat de Sathan, ware hij nog dieper gevallen, ook dit besef zou verloren hebben? Wien komt het in den zin, vol te houden, dat een Sathan, die van God niets, volstrekt niets meer af wist, meer in vol-
strekten
zin
majesteit
een
siddert?
booze geest zou Is
zijn,
dan een
duivel, die voor zijn
het dan soms Sathans eigen lust,
om
het besef
van Gods aanzijn wakker te houden, of is het niet veel meer het demonisch streven van zijn toeleg, om aan die jagende, hem kwellende en verschrikkende openbaring van Gods heiligheid te ontkomen? Ja, is het niet juist in de rustelooze tegenworsteling, om dien indruk van Gods majesteit van zich te zetten, dat zich het wezen der zonde in haar sathanische boosaardigheid, haat tegen God, openbaart? Wien haat ge, indien zoo jammerlijke hartstocht u overmeestert, haat ge den man, die wel uw sympathie niet wekte, maar in zoo geheel anderen levenskring zich beweegt, dat ge nimmer aan hem denkt, voortleeft als bestond hij niet en u in niets om hem bekreunt ? Neen, immers, maar als ge haat, is het juist of ge u van het voorwerp van uw haat niet los kunt maken. Een gesprek dat ge begint eindigt met over hem te loopen. Als ge in gepeins nederzit, komt zijn beeld als vanzelf voor u op. Hij laat u geen rust, maar jaagt u. Telkens poogt ge hem te vergeten en zijn naam uit uw gedachten te bannen, maar gij kunt niet, de hartstocht is u te machtig. Eer ge het vermoedt, betrapt ge er u zei ven op, dat ge weer met hem bezig zijt en u weer tegoed doet aan het booze van uw hart met zijn naam te verbinden. Die maatstaf feilt nooit. Hoe feller uw haat, hoe rusteloozer het voor-
van uw haat uw gedachten vervult. Als ge zoover zijt, dat ge een enkelen dag voor het minst doorleven kunt, zonder aan hem te denken, is de gloed van uw hartstocht reeds aan het verflauwen en
werp
slijt
uw
haat
nu God
uit.
te haten het vreeslij kst en ontzettendst karakter, waarin de zonde zich vertoonen kan, en is haat tegen God ondenkbaar, tenzij de zondaar door den indruk van zijn aanzijn en zijn heiligheid rusteloos bezet wordt, dan oordeele men hoe oppervlakkig de tegenspraak derzulken is, die meenen dat door het erkennen van een natuurlijke Godskennis ook in den gevallen zondaar aan de diepte van ons verderf wordt te kort gedaan. Juist omgekeerd, wie zich den zondaar voorstelt, als jegens God onverschillig, peilde de diepte der zonde nog op de helfte niet. Dienovereenkomstig verklaarden de leeraars onzer kerk in haar bloeiperiode, toen ze nog drang tot verdediging der waarheid in zich gevoelden, dat deze natuurlijke Godskennis wel onderdrukt, maar nooit uitgedoofd kan worden; zelfs in den afschuwelijksten booswicht, zoo oordeelden ze, is die kennisse van Gods aanzijn en van onze aanhoorigheid aan Hem nog overig. Ja, in de eeuwige rampzaligheid
Is
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's