Honig uit den rotssteen - pagina 47
33 op, alsof met die adder alleen de opzettelijke de slechtaard, de moedwillige zielbederver. Neen, maar in dien zin, dat élk mensch, élk zondaar, zonder het te willen of met het te willen, uit zichzelf, nooit iets anders kan dan zielen bederven; de menschen aansteken, die om hem zijn; en hun een oorzaak worden van zedelijken en geestelijken dood. Ge behoeft daarvoor nog niet eens over slechte dingen te spreken of slechte dingen te doen, maar reeds uw verschijning, uw persoon, uw onwillekeurige levensuiting verontreinigt, doet kwaad en voedt het kwade in het hart des anderen. Gelijk een adder u evengoed vergiftigen kan, onverschillig of ze het nu opzettelijk doet, om zich te verdedigen, dan wel onwillekeurig, zonder er aan te denken, of het gif dat ze spuwt, op het gras en op den bodem, dan wel op uw hand of arm neerkomt, zóó ook is wat van den zondaar uitgaat, zijn adem, zijn taal, het vuur in zijn oog, zijn voorbeeld, zijn invloed, voor zooveel het uit de giftige klieren van zijn eigen hart voortkomt, nooit reinigend maar altijd schadelijk, eu brengt bij doorwerking den dood.
Niet,
let
er
verleider bedoeld
wel
is,
Nu is het wel waar, dat God dat gif, dat van u afgaat, voor hem, op wien gij het spuwt, in medicijn kan veranderen. Dat doen onze artsen met de middelen van hun apotheek ook. Ook zij nemen gifstotfen, en onder die gifstorten ook wezenlijk slangenoenijn, en weten dat bij zekere ziekten, en onder zekere omstandigheden zoo te doen, dat het een omgekeerde werking doet en redt in stee van te verderven. Maar dit verandert natuurlijk niets ter wereld aan den doodelijken aard van het venijn op zichzelf, en neemt dus ook niets af van den boozen aard van de geestesstof, die van u uitgaat. Yoor u is het niet de vraag, wat God met uw gif doet, maar alleen of hetgeen gij op anderen overbrengt, een heilzame of een verderfelijke kracht
is.
En mond
voor die vraag nu staande, zegt de Heilige Geest, door den van David, dat én de goddelooze d. i. de onwedergeborene, èn de wedergeborene, voor zooveel en zoo dikwijls als hij aan zijns Heilands gemeenschap ontzinkt, uit de cellen en klieren van zijn eigen ziel niets dan onreins, aanstekelijks en giftigs voortbrengt. Slechts in graad, dat spreekt vanzelf, wordt dat kwaad erger en nog meer toerekenbaar, ais men nu doet, wat de adder bij voorkeur doet, en opzettelijk om zich te verdedigen of om aan te vallen, uit boozen lust, alsnu met voorbedachten rade zulk een booze klier in zijn ziel bersten laat en het gif er uit anderen in het bloed doet o verspatten.
Dan
is
de boosheid voltooid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's