Practijk der godzaligheid - pagina 90
82 tegenover
Om
dit
de in
muur neme men nu de zaak zich af, hoe God de Heere
bresse
die in Jeruzalems
te zien
viel,
heeft te gedragen.
eerst eens zoo generaal
mogelijk, en vrage wil, dat we ons gedragen en houden zullen tegenover de machten die ons drukken en bestrijden of, hoe ook, ingaan tegen onzen welstand.
Die machten kan men in drieën indeelen. Immers het is altijd óf de natuur die tegen ons ingaat; óf het zijn menschen die ons leed aandoen; óf het zijn de kwade engelen die ons bestreden, onder inspiratie van den duivel, hun hoofd en schrikkelijke bezieler. De natuur gaat tegen ons in op bijna alle manieren. Ze is om der zonde wil onrustig geworden uit haar stand gerukt en ontdaan van haar innerlijke harmonie. Iets wat men ook eenvoudig zoo kan uitdrukken: Wat eertijds paradijs was is thans wereld geworden! Eden De Heere God heeft dit den mensch dan ook terstond na is weg! zijn val in zonde onder het oog gebracht. Het zou van nu voortaan maar doornen en distelen zou de aarde niet meer het paradijs zijn voortbrengen. Voorts zou de vrucht der spijs niet langer maar zoo oor het plukken zijn, maar in het zweet des aanschijns aan den bodem moeten ontwoekerd worden. Met smart zou de vrouw kinderen baren. En ten leste zou de aarde toch overmogen, en de eens zoo prachtig door God gevormde mensch wederkeeren tot stof door ontbinding. En zoo heeft de mensch het dan ook bij zijn omwandeling door de eeuwen gevonden, en bevinden wij het nog. Schriklijk kunnen soms de elementen woeden op de wateren die den aardbol omgorden en op het land dat door die zeeën omsloten wordt. Telkens ronkelt de aarde van binnen, en beeft en trilt ze onder den vulkanischen bodem. De bliksem schiet vuur uit en doodt of ontsteekt brand. De stormen doen de wouden dreunen en ontwortelen de stammen. Piasregens storten vernielend neer. Hagelslag vernielt den oogst. IJskoude vorst doet al wat vloeide of rul was verstijven als in den dood. Of ook de zon zengt en de bergen laten hun ^vatervracht los en de stroomen zwellen en de dijken bezwijken en al het land wordt overstroomd. En toch, zelfs met die ontzaglijke vernieling heeft de verbitterde natuur nog op verre na haar woede aan den zondaar niet gekoeld. Haast zijn die losbarstingen der elementen nog grootsch van karakter, gezien en vergeleken bij die andere verschrikking die ze over ons brengt, als ze het munt op mensch en dier zelf, niet op de plek w^aar hij woont of staan wil; neen maar op hem zelf, op zijn bestaan, op zijn ;
;
;
leven, zijn
Dan
lijf.
komen die bittere plagen, die aan het leven zijn glans rooven; wanneer losgelaten wordt dat heir van verwoestende pestilentiën en giftige smetten, die in ziekte na ziekte, in krankheid na krankheid 't zij gemeenUik zich nestelen in de steden en dorpen, in de woningen en in de geslachten, ja, tot in ons eigen bloed en gestel, toch
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's