Het heil in ons - pagina 192
182 waardoor hij, tot God opziende, God herkent; maar God zelf is het, die den mensch aanraakt, met den adem zijner mogendheid over hem komt, zichzelven in hem uitstraalt, op hem af kaatst en hem dus met het afschijnsel zijner majesteit aandoet. Zooals God zich aan den mensch te kennen geeft, alzoo wordt Hij door den mensch gekend. Gold dit reeds van den mensch in den staat der rechtheid, te sterker nog gaat dit door bij den gevallen mensch. Zelfs wat in zijn oorsprong hem gegeven was, ging door de zonde te loor, en er is geen wetenschap van God of goddelijke dingen voor hem denkbaar, hoe gebrekkig, hoe vervalscht, hoe onwaar ook, dan nadat en doordien de majesteit des Heeren zich nederbuigt om haar glansen te doen spelen en haar stralen te doen breken op het gehavend en onkenbaar geworden spiegelvlak zijner ziel. Afgeleid dus, nooit oorspronkelijk, is onze Godskennis, „ectypa, non architypa^* of, wil menj afgekaatst, niet inwonend. Eenigermate althans kan de vergelijking van het beeld op het portret met het beeld op den spiegel het verschil tusschen afgekaatst en inwonend ophelderen. In het konterfeitsel is, rust, woont het beeld, onverschillig
of
de
persoon,
dien
het voorstelt, in het vertrek aan-
is. Het beeld op den spiegel van de tegenwoordigheid des persoons afhankelijk. Zoovoor staat, ziet ge in den spiegel zijn beeld, met zijn heengaan trekt ook zijn beeld uit den spiegel weg. Het woonde niet in dat glas, maar werd er slechts op afgekaatst. Denk u het ondenkbare, dat Gods alomtegenwoordige majesteit zich uit de sfeer der schepping, waarin gij leeft, kon terugtrekken, en van hetzelfde oogenblik af zou alle aangeboren Godskennis uit uw ziel verdwijnen, zelfs de aanbidding van een afgod zou met die ure onmogelijk zijn geworden. Eeeds om de enkele gedachte, de behoefte, hoe zwak ook, aan aanbidding in u te voelen opkomen, moet er een aandoening van Gods majesteit op den bodem uwer ziel zijn. Het eenige, wat, trok zich Gods mogendheid terug, in uw wezen zou achterblijven, zou zijn de vatbaarheid, de mogelijkheid, de aanleg, om, brak de glans zijner majesteit weer door de wolken, er weer door te worden aangedaan, ze weer te ervaren, de kennisse Gods
wezig,
ja,
nog in het land der levenden
daarentegen lang hij er
is
terug te erlangen.
en blijft, met en onder schuld en zonde, met en onder' doem, het onuitroeibaar, onuitwischbaar van uw wezen onafscheidelijk merkteeken, waaraan ge onder de alsoortige schepselen des Heeren als mensch herkenbaar blijft. Dat niettemin onze kerk nooit van een aangeboren vermogen om God te kennen, maar steeds van aangeboren Godskennis gesproken heeft, is juister, vromer en nauwkeuriger dan de wijze van uitdrukken, waaraan men zich thans went. Ware het vermogen om de tegenwoordigheid Gods te ervaren ooit
Dat is dood en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's