Nadere verklaring - pagina 18
16
den
tusschen zijn
karakter
strekt niet
verschil.
oud-Minister en mij, waarom
hem nimmer om
zou mogen veroordeelen. Dit verschil dateerd vol-
van gisteren Dit
ik
punt
of eergisteren, zelfs
is
een
der
en
is
een zuiver principieel
redenen, die mij en velen
mijner vrienden reeds in 1894 hebben genoopt ons te onttrekken
aan de door
dr.
Kuyper
veel te sterk
op den voorgrond gestelde
partijorganisatie.
Het
is
tusschen ons een punt geweest van voortdurenden
wanneer men het
strijdj
aanmerking neemt, dat op dit punt de meesten in ons land het meer met dr, Kuyper eens zijn dan met mij. Dit verschil van inzicht heeft dus niets te maken met het karakter en de eer van den Staatsman. Maar ook al staat men op het standpunt van den oud-Minister, dan rijst de vraag of het geoorloofd is, ministerieele gunsten of Koninklijke onderscheidingen in uitzicht te stellen. Ik erken, en dit geschiedt vaak genoeg, dat onder de ontelbare verdienstelijke en ik geloof
Nederlanders,
zelfs,
te
veel
om
allen te
getal
in
worden gedecoreerd,
de voorkeur moet worden gegeven aan enkelen, en het
natuurlijk is
natuur-
dat men daarbij eenige voorkeur geeft aan hen, die behooren iemands eigen richting. Men kan wellicht ook aan naar onderscheiding jagende menschen het verkrijgen van een onderscheiding in uitzicht stellen. Stilzwijgend geschiedt dit vaak genoeg. Wij behoeven maar te denken aan de talrijke vriendelijke diensten, die door vroeger onbekende personen bewezen worden, maar die zoo iemand op den voorgrond stellen, waarvan men te voren reeds zegt, dat hij het doet om een ridderorde te verkrijgen. Dr. Kuyper betoogt, dat dit zelfs ligt in de bedoeling van de wetten op de ridderorden. Ik betwijfel echter of de waarde van zulke ridderorden niet ganschelijk verbleeken zou, indien aan bepaalde personen voor het verrichten van bepaald vooraf aangewezen diensten, zulk een orde werd toegezegd. Het denkbeeld van ruil behoort toch in deze materie te worden uitgesloten, tenzij men de cynische leer is toegedaan van een groot buitenlandsch staatsman, die, naar mij is medegedeeld, zelf gezegd heeft aan een buitenlandsch gezant nimmer de hoogste ridderorde toe te kennen, zoolang hij in dienst was, omdat hij anders niets meer aan te bieden had. Ik meen, dat de adat bij ons is, nooit een onderscheiding toe te kennen aan iemand, die met het oog daarop zijn diensten aanbiedt. Ik hoop, dat dit adat zal blijven en dat het, in andere landen meer gebruikelijke, uitlokken van diensten tegen belooning niet zal worden gevolgd. Het verheugt mij, dat ten slotte dr. Kuyper dit zelf heeft erkend, lijk,
tot
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 28 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 28 Pagina's