De leer der Verbonden - pagina 52
Zie,
dan
willen
we gevraagd hebben,
of deze kinderen Gods,
en
deze lieden die nog onbegenadigd omwandelen, dan toch niet waarlijk óók voelen en volmondig toestemmen, dat God alleen de waarheid van het Verhond is; dat Jehovah de naam is die het ideëele zelfs
wezen van het Verbond uitmaakt; en dat „Ik zal zijn die Ik zijn zaV\ in zijn diepte opgevat, de korte, kernachtige, goddelijke verklaring is van wat elk deugdelijk verbond bedoelt. De godspraak in Jesaia's 54ste hoofdstuk is en blijft dan ook voor Gods volk alle eeuwen door de diepste gedachte aangeven die uit den wortel van het genadeverbond ons toespreekt; en het „Bergen zullen wijken en heuvelen zullen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het Verhond mijns vredes zal niet wankelen^ zegt de Heere, uw Ontfermer" is ook in ons oog de schoonste, de rijkste, de meest vertroostende openbaring die het God den Heere beliefd heeft, ons van zijn Verbond te geven. Beoogt en bedoelt elk verbond „bestendiging, beklijving, vastmaking en bevestiging voor zoolang het slechts kan," dan ligt het in den aard der zaak, dat het echte wezenlijke verbond eerst dan gevonden is, als ge een eeuwig verbond ontdekt hebt. En overmits nu alle overige verbonden slechts tijdelijk zijn, en voor hoe lang ook gesloten, toch eindelijk óf ontbonden óf verbroken worden; en er dus geen enkel, neen, niet één enkel verbond, hoe heilig ook gesloten, hoe plechtig ook aangegaan, onder menschen vindbaar is, dat aan zijn ideaal om eeuwig te zijn beantwoordt; daarom nu juist schittert het Verbond Gods zoo heerlijk als het éénig waarachtige en wezenlijke verbond, dewijl dit Gods verbond nimmer wankelt, maar blijft eeuwiglijk en altoos. Nu rust elk verbond, dat weet men, ook onder menschen op een gegeven en verpand woord. Of ge dit woord opschrijft en er een zegel onder zet, dan wel slechts uitspreekt onder getuigen, is om het even, het verbond bindt door het gesprokene en geschonkene woord en als dat woord gegeven is en de ander daarop vertrouwt, is het nu maar de vraag, of er in hem die dat gaf trouw en eer woont. Trouw, d. w. z. of hij gemeend heeft wat hij zei; zoodat het gesproken woord werkelijk de zuivere uitdrukking van een geheiligden wil was. En eer, d. w. z. of hij steeds in de toekomst prijs zal blijven stellen op het gestand doen van het woord dat hij verpand heeft. Bij ons menschen nu schiet dat altoos te kort, en indien we blijven bij wat we verpand en beloofd hebben, is het alleen genade die ons voor trouvvbreuk en eerloosheid bewaarde. Want anders, op ons zelf genomen, zijn we innerlijk te onvast en wankelbaar en wisselend, om in echten zin ooit trouw te zijn, of wezenlijke inklevende eer te \
hebben.
Vandaar dat
al
onze verbonden,
particuliere personen,
zoo verbonden van Staten als van verbonden van huwelijk of vriendschap, of welke
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's