Het heil in ons - pagina 202
192 weêrwraak over
deze zonden der natuurkundigen, de natuurkunde een kwaad hart zouden toedragen. Zoomin iemand recht heeft, het Christendom te bestrijden ter wille van de zonden zijner belijders, mag men aan de natuurkunde ten laste leggen, wat niet zij, maar haar beoefenaars misdeden. Noch een beroep op het scheppingsverhaal noch een beroep op de wonderen en profetieën der Schrift mag er ooit toe leiden, om de vrijheid van het wetenschappelijk onderzoek te beperken. Het zijn twee kringen, die elkaar niet raken. De natuur is nu eenmaal zooals zeis, en niemand verandert ze met onwetenschappelijk klagen. Dat God Schepper is, dat Hij alle dingen schiep, is voor den belijder van den Christus onomstootelijk, maar welke bewegingen daarbij de stof onderging, kortom, hoe het Scheppings woord van den Almachtige de stof aanzijn gaf en de bestaande stof bewerkte, blijft daarbij geheel in het midden. Eerst als we niet als natuurkundigen, maar als menschen met de natuur in aanraking komen, zijn we tot het beoordeelen der diepliggende vraagstukken, die de natuur ons voorlegt, in staat. Als de natuurkundige de natuur gaat waarnemen, is hij uitsluitend zelve
gewapend
met zijn zintuigen, zijn verstand, zijn verrekijker, zijn weegschaal, enz., maar als de mensch tot de natuur treedt, brengt hij een gansch ander toestel van instrumenten meê: zijn innerlijk Godsbesef, zijn gevoel van bewondering en ontzag, zijn herinnering, zijn gemoedservaring, zijn voorgevoel van een eeuwig aanzijn. Nu heeft onze kerk nooit beweerd, dat de natuurkundige, maar wel dat de mensch God in de natuur ontdekken, zijn handschrift in de natuur lezen kon. Als onze belijdenis zegt, dat de natuur is „als een schoon boek, in welke alle schepselen, groot en klein, gelijk als letteren zijn, die ons de onsienlycke dingen geven te aanschouwen", heeft ze niet den natuurkundige, maar den mensch,, wil men, den zondaar op het oog.
spreekt van een lezen van „onsienlycke dingen" en de roeping natuurkundige is juist niet de „onsienlycke," maar uitsluitend de zienlijke, de waarneembare dingen in het boek der natuur
Ze
van
den
te lezen.
passer en meetsnoer vordert men voor het lezen der onziendingen even weinig als de blinde met zijn gesloten oog bij het lezen der hobbelig gedrukte letters, die de vindingrijkheid der liefde voor hem gereed maakte. Van den mensch als mensch, van den mensch, die zijn hart, zijn Godsbesef, zijn schuldgevoel, zijn gevoel van ontzag en bewondering medebrengt en werken laat, is alzoo sprake, als we op de natuur wijzen, als een der middelen, waardoor God het ingeschapen Gods-
Met
lijke
besef verrijken wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's