Practijk der godzaligheid - pagina 103
95 Diezelfde gedachte vindt ge aldoor in de Schrift.
Er komt schaamtegevoel, de aanblik van het licht contrasteert met de donkerheid in 's menschen ziel. En zie, nu doet God de Heere twee dingen voor dien mensch, die er aldus aan toe is. Hij laat hem de schaamte, maar Hij reikt hem voor die schaamte een bedekking. Ook hier dus geen lijdelijk stilzitten. Maar beide tegelijk: én een diep gevoelen van het onontwijkbaar kwaad, én tegelijk een tempering er van door bestrijding, in het omhangen van de schapenvacht, „de rokken van vellen." Op de natuur gaan we dus niet af. Onuitroeibaar schier zit in onze natuur een aandrift, om te zeggen: „Weg met alle smart," en het instinct zou ongeheiligd er op uitgaan, om te worstelen zoo lang en zoo bang, tot het lijden uit de wereld was. Dat is de zondige drift van het onbekeerde hart. Dat voelt zich hoog en rein, en vindt het een beleediging, dat eenig kwaad het geluk van zoo goeden reinen mensch komt storen. Dan bidt men Dan stelt men macht tegen macht, en niet, maar toornt er tegen in zegt: „Ik zal die natuur wel op een afstand houden, mij zal ze niet deren." Dan is men, o, zoo blij als er weer een middel komt om schijnbaar die illusie waar te maken. En als de dood dan toch niet weg te cijferen, dan poëtiseert Yictor Hugo ze weg, en roept in is verrukking uit: „Nog één geluk wacht mij, die heerlijke Dood, en dan is het uit, dan is er niets meer!" En heel Parijs lacht en vindt dat zeggen van Victor Hugo prachtig, en vindt het duizendmaal heroïeker dan het jubelen van die enkele kinderen Gods in haar midden, die nog zingen: ,.Dood, waar is uw prikkel, graf, waar is uw overwinning!" en er een „Immanuël!" op volgen laten voor hun verrezen Heere. Eerst tegen alles in. Zij zullen de wereld omzetten. En als de smart dan toch blijft, melancholie en pessimisme. Of een er over heen lachen in behagen aan de Weltschmerz. Smart heerlijk vinden. De „bleeke dood" om mee te dwepen. IJslijke wrake van een heilig God over een creatuur dat mort en
Dat
geeft
dan dat morrend leven.
muit tegen Hem in. Neen, daar weet het Woord niets van, en het is heerlijk dat onder het volk van God op aarde door den Heiligen Geest nog zulk een onverwinbare afkeer wordt in stand gehouden van dat hoovaardig bedenken en goddeloos bedoelen. Persoonlijk moge men er zelf telkens in vervallen. Wie zinkt niet soms? Maar de Heilige Geest getuigt er dan toch tegen in. Men voelt er weerzin tegen. Neen, de smart gaat niet weg. Ze blijft. En de natuurmacht wordt niet daarin overwonnen, dat wij tunnels graven en dijken bouwen en den bliksem afleiden en een telegraafdraad spannen en kina van de boomen plukken, om aïzoo te toonen dat wij sterk zijn. Och, even dreunt die aarde en beeft die bodem, en zie dan eens, o mensch,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's