Het heil in ons - pagina 196
186 innerlijk verband aan het aangeboren Godsbesef
werd toegevoegd, dus
uiteraard toevallig en tot op zekere hoogte ontbeerlijk zou zijn.
een kennen. zulk
opvatting zou
men
Door
het wezen der menschelijke natuur mis-
De mensch
hoort bij de natuur en de natuur bij hem. De mensch aangelegd op innigen levenssamenhang met zijn medemenschen en kan zich dus buiten de mPAischenwereld niet in gezonden zin ontwikkelen. De mensch van het tegenwoordig geslacht staat in levensgemeenschap met de geslachten uit vroeger eeuwen, vormt dus een deel der geschied eiiis en heeft op de winste der overlevering recht. Eindelijk, elk mensch heeft een eigen leven, eigen ervaringen, en is zonder een inwendige geschiedenis van eigen vorming en ontwikkeling eenvoudig ondenkbaar. De mensch hoort bij de natuur. Niet doordien hij aan die natuur, nadat ze geschapen en gereed gemaakt was, door nieuwe schepping willekeurig is toegevoegd, maar zoo, dat alle schepping, die aan de schepping van den mensch voorafging, op hem doelde, op hem was aangelegd en eerst in hem haar reden van bestaan kon vinden. Evenals een voetstuk doelt op het beeld, dat men straks op zijn vlak zal plaatsen; een toebereide disch wacht op de gasten, die er zich aanstonds om scharen zullen; wieg en luiermand beide op het kindeke, dat nog niet geboren is; of wil men, klavier en palet roepen om de hand van den kunstenaar, die in de wereld der tonen of der kleuren tooveren zal, zóó ook wordt de natuur eerst verstaanbaar als de mensch geschapen is, haar geniet, ze bewondert en beheerscht. In zijn eigen lichaam draagt de mensch de gassen en vloeistoffen, de organische en anorganische stoffen, die uit die natuur genomen zijn en is voor zooveel zijn lichaam aangaat aan de wetten dier natuur onderworpen. En niet slechts aan de onbewerktuigde, maar veel sterker nog is hij naar zijn lichaam aan de bewerktuigde natuur verwant. Heel het samenstel van zijn lichaam is de kroning van wat de dierenwereld vóór hem reeds bezat. Zijn oog is op het licht, zijn bloed op de lucht, zijn oor op het geluid aangelegd. De aarde draagt, voedt en kleedt hem. Schier niets biedt de natuur ons aan, waaimeê de mensch geen voordeel weet te doen voor zijn gebruik, zijn gemak, zijn genot, zijn weelde, al ware het slechts om zijn vindingrijkheid ten toon te is
spreiden.
De betrekking tusschen den mensch en de natuur is dus in zijn wezen zelf gegrond, innig, alzijdig, niet door hemzelf uitgezonnen, maar tegelijk met zijn schepping gegeven. Geen wonder derhalve, dat de twee dingen, die den mensch met zijn aanzijn zelf gegeven zijn, eenerzij ds het onvernietigbaar Godsbesef, en anderzijds zijn aanhoorigheid tot de natuur, ook op hun beurt in onderlinge betrekking treden De natuur is een ontzettende
macht,
waartegen
de
mensch
uit
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's