Heils termen - pagina 38
28
worden, en zoo ook hier is „de Heere onze Verlosser'^ voor Jesaia, wat eens de gemeente der uitverkorenen zou aanbidden in den Zoon. De Openbaring van dien „ V e r 1 o s s e r s n a a m" is een der geheimzinnigste feiten, die op het gewijde blad ons bericht worden. Gelijk men weet, is ons slechts in enkele trekken geteekend, wat op Horeb's bergkruin plaats greep tusschen den Eeuwig Onzienlijke en den middelaar des Ouden Yerbonds. Zooveel slechts weten we, dat Israël door zijn zonde zich van de tegenwoordigheid des Almachtigen vervreemd en dies den vloek over zich gebracht had: „Ik zal in het midden van u niet optrekken, want gij zijt een hardnekkig volk, dat Ik u op dezen weg niet vertere" (Exod. 38 3). Met de Heere zelf in zijn eeuwige heerlijkheid, maar slechts zijn Gezant zal met Israël gaan. En zoo wordt dus reeds hier de groote gedachte, als in raadselen gehuld, voor Israël gelegd, van een God, die, zonder middelaar verschijnende, zijn volk verteren en vernielen zou, en daarom uit genade een middelaar stelt, die de vernieling tegenhoudt en toch zijn heilige nabijheid aan Israël doet ervaren. En Mozes besefte, al begreep hij ze nog niet, de diepte van ontferming, die deze Openbaring in zich verborg, en daarom blijft hij worstelen, blijft hij pleiten op de beloften des Heeren, en eindelijk, als door innerlijke trekking des Geestes gedreven, verstout hij zich tot den ontzachlijken uitroep, waar alle wenschen en gebeden van het menschenhart in samensmelten: „Heere, toon mij uwe heerlijkheid!" Natuurlijk, die bede kon voor Mozes niet verhoord worden. De heerlijkheid des Heeren kan niet aanschouwd worden dan op den dag, Avaarop het rijk der heerlijkheid zal doorbreken en we den Zoon „gelijk zullen wezen, wijl we Hem zien zullen gelijk Hij is." Maar toch, zooveel reeds aan Mozes kan geopenbaard worden, zegt de Heere hem in zijn ontferming toe. „Ik zal," zoo spreekt Hij, „mijn goedigheid voorbij uw aangezicht gaan laten, en zal den Naam des Heeren uitroepen voor uw aangezicht." Als in schaduwen zal dus nu reeds aan Mozes toekomen, wat eens door de vleeschwordiug des Woords der wereld zal geschonken worden: de goedigheid, de liefde des Heeren zal zich in de volheid harer kracht openbaren, en de „Naam des Heeren" zal aan de uitverkorenen Gods worden bekend gemaakt. En die heerlijke belofte werd vervuld Naar het woord zijns Gods beklom Mozes bij het aanbreken van den morgenstond nogmaals Sinai's bergrug, en verborg zich in een der rotskloven, waar de heilige tegenwoordigheid des Almachtigen woonde. „En toen," zoo lezen we, „kwam de Heere nederwaarts in een wolk, en stelde zich aldaar bij hem en riep den Naam des Heeren uit. Als nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging, zoo riep de Almachtige: Heere, Heere, :
!
God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid, die de weldadigheid bewaart aan vele
duizenden,
die de ongerechtigheid en overtreding en zonde ver-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's