Het heil ons toekomende - pagina 216
:
306
met „zonde" is, kan ze het Kerstevangelie van den Apostel Johannes: de vleeschwordiug van het Woord, niet verstaan. Daartoe behoort de overtuiging veld te winnen, dat ,jvleesch" oorspronkelijk en op zichzelf genomen, verre van iets laags, zondigs en onedels te zijn, integendeel iets zeer uitnemends, een kunststuk van de hand des Scheppers is. Als de eerste mensch, de eenig onmiddellijk geschapene mensch, en wiens naam daarom Haaddin (Adam) is, in Eva voor het eerst een ander mensch voor zich ziet treden, is zijn uitroep: „Deze is ditmaal vleesch van mijn vleesch!" niet om daardoor Eva als zondares aan te duiden, want de zonde was er nog niet; maar als aanduiding van haar menschelijk voorkomen. En als daarna de ordinantie Gods door hem wordt uitgesproken „Daarom zal de mensch zijn vader en moeder verlaten en deze twee zullen tot één vleeHch zijn," is hiermee allerminst op een zondige betrekking gedoeld, maar veeleer de nauwe verbintenis en innige vereeniging tusschen mensch en mensch aangewezen. Dit blijft, tot ons reeds in het zesde hoofdstuk van Genesis bericht wordt gegeven van den ommekeer: „Al het vleesch had zijn wey verdorven voor Gods aangezicht." Van dat oogenblik slaat de beteekenis van „vleesch" om; wat eerst uitnemend was is nu kwaad, onrein en verfoeilijk geworden. Slechts nu en dan breekt profeet en psalmist den onheiligen ban, waaronder het vleesch besloten ligt, en hooren we Job profeteeren: „Ik zal uit mijn vleesch God aanschouwen! David jubelen: „Ook zal mijn vleesch zeker wonen," en Ezechiël duiden op „het vleeszen harV dat den boeteling in stee van het „steenen" hart zou worden geschonken. Toch komt de herstelling van het „vleesch" eerst in het Nieuwe Verbond. Er wordt zeer op gedrukt en telkens op gewezen, dat Christus in het" vleesch gekomen is. Voor Antichrist geldt wie deze grond waarheid, dat uitgangspunt van geheel het Evangelie ontkent. De Schrift wil, dat ge er u diep van doordringen zult, hoe, „gelijk de kinderen des vleesches deelachtig zijn. Hij ook desgelijks des vleesches deelachtig is geworden. Het moet wel deugdelijk in uw voorstelling van den Christus zijn opgenomen, dat Hij „uit den zade Davids is zooveel het vleesch aangaat." En zoo weinig mag dit „vleesch van Christus" in uw belijdenis van Jezus, den Heiland, bijzaak zijn dat ook voor u veeleer „dat vleesch waarlijk spijs en dat bloed waarlijk drank" behoort te zijn. in dat vleesch leeft Hij, zoo voor als na zijn opstanding blijkens het woord tot zijne discipelen „Een geest heeft geen vleesch en beenen, gelijk ik heb." Met dat „vleesch" is Hij van den Olijfberg ten hemel gevaren, en in dat „vleesch" is Hij nog. Weshalve onze Catechismus belijdt: „dat we ons vleesch in den hemel als een zeker pand hebben," en in het „Nu leeft Gods Zoon in verlossingslied heerlijk gezongen wordt: menschelijk vleesch!" gelijkluidend
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's