Honig uit den rotssteen - pagina 28
!
!
14 huizen, en in al die huizen uit de broodkast naar iedeis hand komt, als vereischt wordt om eiken morgen en eiken middag en eiken avond die millioenen en nogmaals millioenen in het Christenland te
voeden
Het
dus
is
„werk
met
hebbea"
en
met
„geld
verdienen" nog
volstrekt niet uit.
En ook
al verdiendet ge „geld als water," en al prikkelde u zelfs naar een stevig maal nog nooit de tong, ja, ook al baaddet u in weelde en overvloed, dan nog, dan nog evenzeer, ja, dan niet het minst, zou het u, als klein en nietig schepsel, blijven betamen, dat ge eiken morgen van dien vvondren God, die dat brood schiep en het uitdacht en het er komen laat en het eiken morgen uitdeelt, voor u en uw gezin uw bescheiden deel afsmeektet
de ge
trek
Maar ook daarmee
is
nog
niet
genoeg gezegd.
bede; „Geef ons ons dagelijksch brood!" is eigenlijk een bede, waartoe men eerst komt, als men gelooft en uit zijn geloof leeft. Men zegt zoo wel „Die bede kan iedereen bidden," en waant dat alleen voor het bidden om geestelijke gave geloof noodig is. Maar Zie,
die
:
men
vergist zich,
Neen,
met dat
te
zeggen, deerlijk.
bidden „om een bete broods te hebben," komt, het geloof ons het hart niet vernieuwde, misschien soms op
ook
dat
zoolang de lippen, maar uit het hart nooit. Want immers, buiten het geloof, dan heeft het geen zin, nog om brood te gaan bidden, dat reeds op de tafel voor u staat. Dan zou het zin hebben, te bidden om uw brood voor inorge)i, maar voor heden stellig niet. En vraagt ge, welk verschil dat dan maakt, of men gelooft, zie dan hier het antwoord. „Mijn geld is mijn geld, Buiten het geloof, dan denkt de rijke en zoolang ik dat geld heb, heb ik te eten!" en daarom komt het denkbeeld om nog eerst „eten" van God te gaan vragen niet in hem op. En evenzoo denkt dan de daglooner: „Ik moet verdienen en werken voor mijn brood, maar zoolang ik in de verdienste blijf, dan ook geen zorg !" Maar dat wordt nu, als er geloof komt, en dat geloof doorwerkt, anders. Want met het geloof, dan zegt de rijke: „MijH- geld is het geld van mijn God, dat ik in zijn dienst te besteden heb, en dan is het God, die, wijl ik Hem dien, mij dient, mij voedt en voor mij zorgt." En zoo zegt dan ook de daglooner: „Wat ik werk, werk ik om Gods wil, niet om geld te verdienen, maar om trouw in mijn van God gegeven beroep te zijn en als ik zoo voor den dienst van mijn God zorg, geen nood, dan zorgt God wel voor mijn brood!"
—
:
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's