Practijk der godzaligheid - pagina 263
355 Teellinck, de uitnemende prediker uit de zeventiende eeuw, in Nootwendigh Vertoogh desaangaande schreef in den vorm van „Huisordre voor den Vastendagh'^ *).
zijn
Nu
uyt de verscheyden gelegen theyt deser ghe vallen, ontstaen somtij dts twee onderscheyden betrachtingen, onder den Huys-ghesinde, naraelijck, het houden van een Vastendach, ofte Dancdach, na dat onse saken oft ons wel nae den sin oft anders gaen. YI. Aengaende den Vasten-dach, die men met sijn Huys-ghesinde te houden heeft, daer over staen alle die dinghen aen te mereken ende te betrachten, die wij hier vooren Lib. 4 Cap. 8 hebben aengheroert, over de gheleghentheydt van eenen gemeynen Vasten-dach ende dan noch vorder, ten aansien van de gelegentheydt des ghesindes, soo mach dese voet, ende dit beleydt ghevolght worden. 1. Dat alle de Huys-genooten daeghs te vooren trouwelij kek bereydt worden tot d' oefeninghe des Vasten-biddachs. Tot dien eynde
„V.
soo
is
het zeer nut
Dat de Huys-vader des avondts, te vooren, kortelij ck ende duidelijck aen sijne Huys-ghenooten verbale wat d' oorsaken zijn, daerom den Vasten-hiddagh beleydt wordt, ende hoe seer sij daerover behooren beweecht te zijn. a.
Mitsgaders oock wat die bijsondere heilighe oeffeninghen zijn die op den Vasten-biddach moeten ghepleeght worden. Als oock mede wat kracht d' oeffeninghe des Vastens heeft, c. om een zegheninghe van Gode te verwerven, ende hoe groote vrucht de selve wel oyt gheschaft heeft: ende dat hij daer uit dan aenwijse d. Hoe wel het de pijne weerdt is, dat wij ons selven ter deghe daer toe schicken souden, dat wij jae nu al in tijdts, al ons tijdelij ck bedrijf afdoen souden, ende alle aerdtsche bekommernissen uyt onsen hoofde stellen, ende ons pooghen te voorsien met de gheestelijcke h.
'
gaven des
ij
vers,
ende des gheloofs.
is het van noode, dat in dese betrachHuys-vader syne Huysgenooten waerschouwe teghen haer eyghen onbequaemheyt 'om dese heylige oeffeninghe wel te pleghen, tegen d'onwillichetjdt hares vleesches ende de tegenstandt des Duyvels. ende f. hun alsoo henen wijse, tot den Heere haren Godt, om van hem hare hulpe te verwachten, ende te betrachten door sijnen ghenadighen bijstant, machtig ghemaeckt te werden, om dese heylige oeffeninghe noch wel te pleghen, ten goede des volcks, ende tot harer
Maer noch zonderlinghe
e.
tinge
de
zielen troost.
handelinghe g. Ende de wij Ie wij ghehoort hebben (in de gemeyne van den Vasten-biddach) dat de Heere voor al vereyscht, dat wij onse bekende zonden ende grouwelen moeten wech doen, souden onse be-
1)
W.
pag. 195,
Teellinck, 7.
Nootwendigh
Vertoogh, Rotterdam,
P.
van Waesberghe, 1647,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's