Honig uit den rotssteen - pagina 271
!
!
257 Althans, zoo heet het, maar zoo is het niet. Integendeel, we zingen nog telkens als leeuwrikken, d. \v. z. uit aandrift, om het zuiver geluid, niet om God. We drinken nog telkens onze melk als de jonge hinden, d. w. z. z(mder dank in het hart
voor onzen God. We werken nog als de stormwind en telen nog vrucht als de akker, werktuiglijk, zonder Hem te hebben bedoeld. We lijden nog gedurig als het lam in den leeuwenbek, gillend, zonder offerande. En ook, we zijn nog t-elkens braaf en doen nog telkens liefdewerk, maar ach, zooals de kloek braaf is die voor haar kiekens vecht, en een hond trouw is die voor zijn meester bast en bijt. Alles uit ons eigen krachtbronnetje. Buiten Hem om. Hem althans niet bedoelend. En zie, dat is nu het priester en priesteresse-zijn tegen den
Naam m. o. Gij, priesters, verachters mijns Naams! heet het daarom bij Maleachi. ü. w. z. die wel priesters wilt heeten en wezen, maar niet zooals dat hij mijn Naam past, hoort, voegt, moet. Priesters, zooals dat er meê door zou kunnen, indien mijn Naam niet God, niet .Tehovah, niet Heere der heirschareu was. Priesters, voor alles goed, maar geen priesters mui. een Volzaluj Wezen wiens Naam God is. Aller goeden Fontein en aller krachten Bron en aller zaligheden Sprinkader. Daarom, daarom is het dat Gij mijn Naam veracht. Yeracht mijn Naam, als God. En van Mij, die God ben, iets anders met uw valschen priesterlijken schijn wilt maken.
Gij wilt toebrengen, en er
kan
hij
Mij
niets hij.
mijn altaar stellen, en gij heht niets, indien Ik het niet eerst voor u schep en u schenk. Geen paar tortelduiven kunt gij maken. Ik moet ze eerst maken voor u, en als Ik ze u dan nog schenk er bij, dan kunt gij komen, ja, en ze Mij terugbrengen op mijn altaar. Niet dus zoo dat Ik er u voor te danken heb. Maarzoo dat het danken aan u staat. wilt
Gij
En met
iets
nu
het
zooals
uw
op
liefde,
uw
met die tortelduiven is, zoo nu staat het ook nederigheid, uw vroomheid, uw godsvrucht, uw
deugdsbetrachting. Schep gij eens vroomheid in uw ziel; schep eens liefde, nederigschep ia uw geest eens, zoo gij kunt, godsvrucht heid in uw harte ;
en deugdzin Leêge mensch, lend
anders
ik
zijnde,
maken
En omdat en lief!
daarin
—
II
wat
dan
is
uit het luchtledig van uw werveen niets en minder dan de ijdelheid zelve
er dat gij
leeg
zult
nu inbeeldt, en denkt: „Dat overwon ik weer, was ik weer vroom; en in zooverre handelde ik weer en nu hoopt dat God u aeswege wel genadig zal zijn, zie, ge u dat
17
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's