Dat de genade particulier is - pagina 21
11
Evenmin brengt
het u verder, of ge al in het afgetrokkene spreken over hetgeen het eeuwige Wezen, op zichzelf, vyel zou gewild hebben. Men vraagt u dan gemeenlijk, of gij, als gij het eens voor het zeggen gehad hadt, toch niet genoeg liefde in uw zondig hart zoudt gevonden hebben, om allen menschen de zaligheid toe te wenschen? En dan voorts: Of het dan Gods liefde toch niet miskennen zou zijn, indien men ook maar een oogenblik onderstellen dorst, dat God dat niet zou hebben gewild, en dat Hij, de Vader van alle ontfermingen, integendeel gewild zou hebben, dat de meeste menschen vergingen ? Want vooreerst, moet ge daar lang nog zoo zeker niet op gaan, dat uw zondig hart dat metterdaad aan allen, in elk oogenblik van uw leven, zou 'hebben toegewenscht. Ten minste de uitingen zijn gemeenlijk heel anders, en hoe weinig we elkaar door de bank zelfs het mindere, tijdelijke, goed gunnen, toont de nijd, helaas, te over. Maar bovendien, wat God de Heere zou gewild hebben, indien de mensch niet gevallen ware, is een onderstelling die zich in het afgetrokkene wel zoo beredeneeren laat, doch waar we voor de realiteit der waarheid en de practijk des levens; daar we toch allen zei ven zondaars zijn en niet dan zondaren ontmoeten; niet het minste aan hebben. En eindelijk, wat de deur dicht doet: Wat God op zich zelf
gaat
zou
gewild
hebben,
is
een
onderstelling
die hier zelfs niet opgaat,
„genade" sprake is, denken we ons het Hoogste Wezen juist niet op zich zelf, maar in betrekking tot zijn creatuur. En wie, bidde ik u, zal nu uitmaken in hoeverre die daad „van creaturen te scheppen" zelve al dan niet een uitsluiting van anders op zichzelf denkbare mogelijkheden voor den hoogen God met zich bracht. Al wilden we dus ook voor een oogenblik toegeven, dat de genade, indien we alleen op de Liefdedrift in Gods Wezen zien, niet slechts algemeen, maar zelfs oneindig ware te noemen, ook dan immers zouden we nog geen stroobreed gevorderd wezen, maar nogmaals, nii met het woord universeel, voor hetzelfde woordspel staan, en eigenlijk het slechts hierin ééns worden: „dat de genade, zoolang ge niet op de bijzondere personen, maar op gansch geen personen let, dan ook niet l3ijzonder, maar gansch algemeen is." Om aan deze misvattingen en woordspelingen te ontkomen, waren onze ouden dan ook en zeer terecht gewoon, het vraagstuk enger te begrenzen en u uit dezen toovercirkel van algemeene afgetrokkene begrippen, opeens voor de naakte ontzettende realiteit te plaatsen van het kruis van onzen Heere, en u nu op de consciëntie en op den man af te vragen: „Sterft nu die Christus daar voor alle menschen of
want
als
er
van
alleen voor de uitverkorenen?"
Niet alsof daarmee nu terstond het laatste spoor van spraakverwarring zou verdwijnen en elk misverstand zou zijn uitgesloten. o,
Dat nog lang niet!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's