De leer der Verbonden - pagina 169
159
en alzoo blijken ze te wortelen en te bloeien in den Christus. Dat en dat is de korte inhoud van ons heerlijk Evangelie. Wat komt ge nu daarenboven nog spreken van een verbond? Dat er in den staat der rechtheid, toen het op een „ werken" ging, verbondssluiting noodig was, dat hebt ge ons klaarlij k aangetoond. Een Verbond der vlerken willen we dus met u belijden; maar waarom moet naast en tegenover dat eerste verbond nu ook nog een tweede verbond van geheel andere conditiën ?'* overgesteld waarom nu ook nog gerept van een Verbond der genade Voor het maken van die bedenking zijn we dankbaar. Want metterdaad op die vraag, en op die vraag vooral, komt het hier aan. Dat ;
in vroeger tijden die vraag te veel ontweek, is mede een der oorzaken geworden, dat de heugenis van het verbond in zoo tal van kringen allengs uitstierf, en in de predicatiën der meeste orthodoxe leeraars het verbond hoogstens, zoo eens terloops, en losweg vermeld wordt, maar geen integreerend bestanddeel meer uitmaakt van den vollen raad Gods, dien men der kerke verkondigt. En haast durven we de stelling wagen, dat indien niet én het Doopsformulier én het Avondmaalsformulier zoo met name en in zoo roerend schoone taal van het „Verbond der verzoening en der genade" gewag maakten, zelfs die losse onsamenhangende vermelding nog veel zeldzamer en schaarscher zou zijn. Nu is intusschen heel de Heilige Schrifture één doorloopend protest tegen deze geringschatting en in de schaduwstelling van Gods verbond. Want indien er één teedere waarheid is, waar de gezanten Gods in de Openbaring telkens en telkens weer op terug komen, dan is het wel op dit Verbond der genade. Schering en inslag in gansch de verhouding Gods tot de kerk des Ouden Verbonds, zoo onder de patriarchen, als in Israëls dagen, is altijd en altijd weer, datzelfde Trouwverbond dat Jehova met de kerk gemaakt had. En zoo w^einig is dit verbond met de opheffing der schaduwen in de vleeschwording des Woords weggenomen, dat veeleer de profeten vanouds de nieuwe bedeeling van dit Genadeverbond reeds voorzien hebben (Jer. 31 31), en de Christus zelf, in het plechtig oogenblik van de instelling des Avondmaals, op het allernadrukkelijkst ook de nieuwe heilsbedeeling der vervulling wel terdege als een verhond, een testament, het „nieuwe testament in zijnen bloede" op het harte zijner kerk bindt. We kunnen ons dus ontslagen achten van de taak, om eerst nog opzettelijk uit Oud en Nieuw Testament met breede uitschrijving van teksten te gaan aantoonen, dat er metterdaad een Verbond der genade en der verzoening bestaat. Dit weet ieder. Dat kan niemand weerspreken. En zij, die onder de belijders in onze dagen deze en soortgelijke dingen uit Gods heilige Openbaring eenvoudig tot die tijdelijke vormen herleiden, die, in oude dagen van gewicht, voor ons hun beteekenis zouden verloren hebben, zijn belijders die vlak tegen de belijdenis ingaan, doordien ze den eeuwigen inhoud der Schrift aan
men
:
menschelijke wilkeur prijs geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's