Practijk der godzaligheid - pagina 121
113 niets waardig wezen. Daar kan en moet dus Daar geldt het een „ik", welks adem in zijn neusgaten is. En het spreekt dus vanzelf dat de Heilige Schrift, die u als privaat persoon geheel uitkleedt en niets aan u laat dan het wit van uw melaatschheid, aan kwetsingen van uw persoon toegekomen, voor zooveel u persoonlijk aangaat, u geen anderen regel voor kan schrijven, dan om u toch niets aan te matigen, stille te zijn en te wijken. Maar zoo is het met u als o verheidspersoon niet. Wel is de overheidspersoon in zijn privaat leven even niets beduidend en onwaardig, maar die niets beduidende mensch is nu als overheidspersoon bekleed met iets dat niet van hem, maar van God is. Hij is drager van een gezag, dat niet in of aan hem kleeft of hem verheerlijkt, maar van een gezag, dat van God is, door God hem als pand is toevertrouwd, en waarvoor hij dus heeft te waken; niet ter wille van zijn „ik", maar ter wille van Hem, om wiens wil alleen alle ding waardij bezit
zich
zelf
verdoemelijk,
geweken.
en beteekenis. Stel, ik heb
zelf een geschrift op het papier gebracht, en vind nu maar beter ten vure gedoemd worde; welnu, dan doe ik dat, en het stuk wordt verbrand. Dat mag natuurlijk. Maar indien gij mij een stuk van uw hand ter bewaring toevertrouwt, en ik ging het dan ten vure doemen, dan schond ik uw recht en beging een misdaad. En waar dit nu reeds onder menschen beseft wordt, hoeveel krasser geldt dit dan niet, waar de almachtige God, de Schepper van hemel en van aarde, ons zij?t majesteit toevertrouwt, en wij ons het recht zouden willen aanmatigen, den gloed van die majesteit nu maar
toch,
dat
het
te laten tanen.
Dit mag niet. Dit is majesteitschennis van den Heere onzen God. wel een misdaad, die zelfs bij teedere Christenen nog altoos min of meer op de veel te hooge gedachten steunt, die ze van zichzelven hebben. Ze beelden zich namelijk nog altoos min of meer in dat zulk een gezag ten deele hun gezag is en dat ze er daarom naar willekeur over mogen beschikken. En dat nu juist is niet zoo. Wie dat denkt pleegt roof. Want het gezag komt van God en is van God en blijft van God; en ieder die het draagt of er mee bekleed is, zal er rekenschap over te doen hebben aan den Heere.
En
Voor wat nu de landsoverheid aangaat, geven de meesten dat dan toe. Maar hun ter waarschuwing dient er nu bijgevoegd, dat deze regel nu volstrekt niet alleen geldt voor de landsoverheid, maar wel terdege en in dezelfde mate voor allen, die, in welk ambt of in welke betrekking ook, met gezag over anderen zijn bekleed. Een vader en moeder staan er precies evenzoo aan toe. Ze staan niet tegenover hun kinderen als scheppers, want God schiep ze. Niet als bezitters, want ze zijn zijns. En ook mogen ze geen gehoorzaamook
VI
8
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's