Het heil in ons - pagina 125
115 en verontschuldiging den zoen hernieuwen deed, waarin hij zonde leefde. Toen, Paulus weet het uit maar al te bittere ervaring, hield Sathan hem zoo jammerlijk verstrikt, dat hij niet slechts de zonde deed, maar ook zelf in die gedane zonde inzat, ze vasthield, en, zooal geen lof, er dan toch oogluiking voor had, wijl hij, door het vervloeken dier zonde immers den vloek ook over zich zelf zou hebben gebracht. Maar God zij lof; die geestelijke ellende, die diepe smaad, die rustelooze zelfonteering heeft nu dan toch uit. o. Hij daarom nog wel niet wat hij met zoo vurigen, smachtenden dorst is zou wenschen te zijn. Het is nog de hemel niet. Hij zit wel niet meer aan het booze, maar het booze toch nog aan hem vast. En lijking
met de
telkens weer, komt het nog tot iets dat hij niet gewild, dat afgebeden, dat hij verfoeid had. Maar, en Ae hier al het onmetelijk verschil met het vergoelijken heeft het nu uit Uit met het bedekken en verbloemen! Uit met dat nog vasthouden van een begane zonde, van een bedreven kwaad om het te koesteren! Integendeel, hij is nu dier zonde, ook al beging hij ze zelf, vijand. Hij keert zich tegen haar. Ze is hem een gruwel geworden. Niet toch hij, hij naar zijn diepste wezen, hij naar de liefde van zijn hart, deed ze meer, maar de zonde die in hem woont. Edoch een zonde, die, wijl ze niet slechts nog in zijn vleesch en bloed, maar nog evenzeer in zijn ^vil en zijn geest, en dus ook nog in de vermogens van willen en beramen sloop, hem, voor wat hij niet deed, nochtans in de schuld doet vallen en als een ellendige doet worstelen voor zijn God! Komt dit nu, zoo vragen we, of komt het niet overeen met wat de Schrift ons getuigt: „dat wie uit God geboren is, zelf de zonde niet meer doet;" dat „hierin de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar zijn, dat hij die zelf de ongerechtigheid nog doet, niet uit God is;" en dat een iegelijk die niet maar voor de ongerechtigheid bezwijkt, maar naar de krasse uitdrukking, zelf „een werker der ongerechtigheid" is, in stee van bij Jezus te hoor'en, niets dan het: „Ga weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt, in den dag van telkens,
hij
:
zijn
!
toekomst
Even wat we
te
wachten
kristalhelder
is
heeft. 4.
de
conclusie voor den wedergeborene uit
in vs. 18 lezen: „dat het willen wel bij hem is, maar dat hij de macht niet vindt om het goede te doen!" Van zulk een zielsbevinding weet een onwedergeborene niets. Wel
een edel mensch is; er voor uitkomen dat hij er nog verder en voorwaarts moet; en niet rusten kan, eer hij tot nog hooger volmaaktheid is gestegen. Edoch, dit stemt hij alleen toe op voorwaarde, dat ge hem voorshands zijn ingenomenheid gunt met wat hij nu reeds tot stand bracht; hem nu reeds met „edele zelfvoldoening" op de verkregen winste laat terugzien; en hem althans niet stoort in zijn zelftevredenheid, dat hij reeds zóó ver op den weg vooruitschreed. Maar dring nu verder bij hem door en zoek zal
nog
hij,
niet
indien is;
hij
dat
hij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's