Het heil in ons - pagina 115
106 scheiding van Johannes zin krijgt van „kinderen," en „jongelingen," van „mannen" en „vaders in Christus." "Wat nu eindelijk de laatste of vierde onderscheiding aangaat tusschen volmaaktheid in de deeUm, die een kind van God alleszins, en volmaaktheid in de trappen, die hij op aarde nimmer zal bezitten, dan ook hier het zegel der Schrift en der geestelijke ervaring onbeis twistbaar.
Een
hoe klein ook, bevat in zich de kiem, den stengel en zijn stoel en voor dien stoel de wortelvezels, maar evenzeer voor de takken en twijgen, voor de sprieten en bladeren, voor de bloesems en vruchten, die aan den mostaardboom in korreltje mostaardzaad,
niet slechts van
zoeler luchtstreek
bij
zijn
voltooiing prijken.
dus gaaf, is ongeschonden, en is, wijl de kiem aller deelen er in ligt, een volkomen mostaardzaad. Dat is het heilig en onveranderlijk kenmerk van al wat God doet. Wij menschen, als we iets maken, moeten eerst stuk voor stuk, deel voor deel in gereedheid brengen om ze daarna aan elkaar te hechten, vast te lijmen en ineen te zetten. Maar bij al wat God werkt worden steeds alle deelen te gelijk voorverordineerd en wat de kiem betreft, tot aanzijn gebracht, om zich daarna elk in zijn orde te ontwikkelen. Ons menschelijk werk is, onder de wording, nooit, Gods werk altijd volmaakt in de deelen. Dit is waar van de plant. Dit geldt van dier en mensch. Maar in sterker zin nog van 's menschen geestelijke ontwikkeling na zijn
Die korrel
is
wedergeboorte.
heiligmaking zij)i eigen werk, dan gaat het ook hij stuk voor stuk, deel voor deel vooraf gereed zoekt te maken, om eerst daarna het een aan het ander te verbinden en in elkaar te zetten. Er zal dan een neiging zijn, om ééne bepaalde zonde te bestrijden, terwijl op hetzelfde oogenblik een andere, niet minder verfoeilijke zonde vrij spel houdt. Er grijpt dan een oefening plaats om zich b. v. in zijn gebeden en smeekingen te volmaken, of terwijl, onder die ook toe te leggen op mortificatie en nederigheid, oefening door, de gierigheid vrij rondloopt en de prikkelbaarheid zich nog gevoeliger maakt en het lijden met anderen al meer verkwijnt. Sterke ontwikkeling aan de ééne, met wegtering en verkwijning aan de andere zij van ons wezen. Een wasdom maar in deelen onvolmaakt. Hebt ge daarentegen met wezenlijke wedergeboorte, met doorgezette bekeering, met oprecht geloof, d. i. met een werk Gods te doen, dan komt er opeens een haat tegen alle zonden, een liefde voor alle deugden, en is, ook al trad die nog niet naar buiten, de kiem van alle heerlijkheden aanw^ezig. „Nog wel maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid, gelijk de Catechismus zegt, maar zóó nochtans, Is
hier
's
menschen
zoo
toe,
dat
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's