Heils termen - pagina 108
98 doelde op den triomf van het zedelijk goede, zocht daarin alleen haar kracht en uitnemendheid, en kan dus slechts door onze blindheid, ons een oogenblik als van het zedelijk leven gescheiden voorkomen. En evenzoo, de zedelijke heiliging hangt zelfs in de Christelijke gemeente op het innigst met de Theocratie te zaam. Eeeds in historischen zin, wijl het heilige leven der Gemeente uit den Christus vloeit, en door en in Hem met geschiedkundige draden aan Tsraëls Theocratie verbonden is. Maar veel meer nog, wijl de ontwikkeling van het zedelijk leven terstond Gods vrijmachtige genade terug zou werpen, het geloof zijn uitnemende plaats in het werk der zaligheid benemen, en dusdoende den strijd tusschen godsdienst en zedelijkheid tot beginsel zou verheffen, zoo de heiliging in zedelijken zin aan de Theocratie, d. i. aan de Godsregeering werd onttrokken. Een poging, reeds vroeger aangewend, om den strijd tusschen beide denkbeelden te verzoenen, kan aanspraak op waardeering maken, zonder dat ze echter als genoegzaam gelukt te beschouwen is. Men heeft namelijk in de onderscheiding en den samenhang van wezen en schaduw een gelijksoortige verhouding meenen te ontdekken, als de heiliging in theocratischen en zedelijken zin beurtelings vaneen scheidt en samenvoegt. Alleen de heiliging in zedelijken zin zou dan waarlijk „heilig" voor God zijn, en de theocratische heiliging bij het Israël des Ouden Yerbonds slechts een spiegeling en afschaduwing vertoonen, van wat in waarheid heiliging is. In dit beweren schuilt ongetwijfeld waarheid. Niemand zal ontkennen, dat de geestelijke inwendige heiligheid des harten geen hooger waarde zou hebben, dan de uitwendige ceremoniën, waardoor de theocratische heiliging vaak volvoerd werd. Evenzeer geven we toe, dat Israëls heiliging als volk, beeld en afschaduwing van de geestelijke heiliging der waarachtige gemeente was. Ja, we erkennen zelfs, dat het licht zou vallen, menige uitspraak van Jezus bijeen te lezen, waarin schijnbaar de theocratische heiliging als verouderd en voorbijgegaan wordt ter zij gezet. Bevredigend is deze verklaring echter allerminst. Ze begaat de fout, van bij theocratische heiliging bij voorkeur en schier uitsluitend aan die uitwendige plechtigheden te denken, die aan het uiterste der oppervlakte liggen, en blijft elke verklaring schuldig van de heiliging des ganschen volks, de heiliging door uitroeiing, en de heiliging van het brandoffer, en dus ook van het alles saamvattende Woord des Hceren: „Ik heilig mij zei ven voor hen," wat Hij sprak, doelende op zijn zoendood. Bovendien, bevredigend kan ook daarom deze uitlegging niet geacht worden, wijl ze allerminst rekenschap geeft van het hoogstgewichtig verschijnsel, dat ook door het gansche Isieuwe Verbond dezelfde lijn van theocratische heiliging tot den einde toe doorloopt. Ze miskent de belijdenis der Christelijke gemeente „dat ze II.) Ze heeft geen oog voor de beteekenis geheiligd is." (I Cor. YI :
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's