Dat de genade particulier is - pagina 142
:
;
132 ons, dat we ook den broeder gaan liefhebben; en maakt dat we dan in ons bidden, tegelijk voor hém en voor onszelven vragen bidden en «voorbidden tegelijk. Dan is er reeds iets meer in ons uit God gekomen. Een macht, die tot het „ik" zegt: „Zoek uzelven niet, maar leer uzelven verlooche)ten f" Maar toch ook dat is nog het hoogste niet; en de fijnste bewerking laat de Heilige Geest dan pas aan onze ziel ondergaan, als ze ons inprent, óók eens om den levenden God te denken. Hem óók eens lief te hebben. Yoor zijn glorie ook een wensch in de ziel te dragen. En als de knieën gebogen worden, ook aan dat hoogste worstelen kennis te krijgen, dat tot God en om God gaat. En dan zijn ook daar nog graden in van gloed der liefde. Eerst een bidden voor uzelf, den broeder én God. Dan voor den broeder, voor God en voor uzelven. En eindelijk voor God in de eerste en de hoogste plaats; dan voor uw broeder; en voor uzelven het laatst en
in
het minst.
En
thermometer van het zielsbestaan behoort Christus ook de mindere of meerdere zuiverheid van haar inzichten in de genade te onderkennen. Ook in dat werk der genade toch begint het met egoïsme; de bezorgdheid voor het eigen „ik": hoe komt mijn ziel er door?; o, God, wees mij, arm zondaar, genadig! D. i. de bede, niet van een ingemaar van één die op de borst slaat, nog tollenaar is en nog leide, niet gelooft aan zijn begenadiging. Niet de hoogste sport, maar de laagste. Niet het eind, maar het begin. Maar heeft die vraag: „o. God, geef mij genade!" doorgewerkt; is daar verdieping van den Heiligen Geest in gekomen, hield dat op een klank te zijn; werd het meenens; en wierd er dies reeds genade natuurlijk, dan blijft het daar ook niet bij, maar dan gesmaakt; gaat het ook hier, evenals bij het „bidden", en glijdt allengs die bemoeiing met de genade van het „egoïsme" naar de liefde voor „den evenmensch" over, en werkt de Heilige Geest in ons die andere bede „o. God, wees ook mijn vader, mijn moeder, mijn vriend, mijn kind genadig!" Niet: „Wees mijn evenmensch genadig!" want dat ware een phrase. Neen, maar concreet, met het oog op een bepaald persoon: „o. God, geef genade ook voor hddr en voor hém!'* Toch kan het bij Gods kinderen ook daar niet bij blijven. Ook in dat genadewerk toch drijft de Heilige Geest, naar Geesteswerk, de ziel met onweerstaanbaren drang naar het hoogste toe; en na eerst gevraagd te hebben: „Wat vrucht draagt dat genadewerk voor mij?" en toen: „Wat vrucht komt er van d&t genadewerk voor den broeder ?'* perst de Heilige Geest dan eindelijk, ten slotte, ook die laatste en diepste en verst reikende vraag uit de ziel „ Wat glorie komt er uit daaraan;
aan
dien
;
nu de gemeente van Jezus
—
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's