Practijk der godzaligheid - pagina 242
:
234 tighen lof alsoo verheft, dat de menscheu meynen wat groots gedaan te hebben, als sy gevast hebben. „4. Daer toe zijn ooc godloose meyningen gecomen, d'een boven d'ander totdat men in de diepte aller dwalingen gecomen is. En op dat geen boosheyt achter gelaten en worde, so hebben sy onder een seer ongeschict decsel begonnen met God te spotten. Want de lof des vastendaechs wordt in de alderuitnementste en leckerste spyse ge-
socht; geen leckernye en can dan genoech zijn, te geene andere tyde heeft men so overvloedige noch soo menigherley noch soo soete
en
spyse.
„Met sulcke en te
so
lustich een tafel
meynen
sy bequamelic
Gode
dienen."
Deze
uiteenzetting
in
Calvijns
vierde boek van zijn Institutie is
zoo afdoende, breed opgezet en eiken twijfel opheffende, dat latere getuigen schier overbodig zijn. Te meer daar ieder die ooit Joh. a Marcks Merch der heilige Godgeleerdheid inzag, weet hoe ook nog in de laatste tijden van den bloei onzer kerk op dat vasten nadruk
werd gelegd. Toch willen we als ten overvloede den lezer nog een getuigenis uit den hoogsten bloeitijd van onze Nederlandsche kerk voorleggen in de woorden van den hoogleeraar Maastricht, die in de dagen van Willem den Derde aan de ütrechtsche Academie schitterde. Kon bij Calvijn nog het vermoeden rijzen, of wellicht nawerking van den Eoomschen zuurdeesem hem belet op doortastende wijs met de Eoomsche inzettingen te breken, bij Maastricht valt ook die bedenking weg. Hij was uit het vierde geslacht na de Hervorming, had een Gereformeerde kerkpractijk van meer dan een eeuw achter zich, en had in de Gereformeerde gezinnen de vruchten van deze practijk der godzaligheid gezien.
Hoe hoog nu Van
Maastricht
het
vasten
nog
stelt,
blijkt reeds
terstond uit deze definitie:
„Het vasten hieten wy billijck eenen godsdienst, die ons van God voorgeschreven is tot zijn verheerlijking. Van God voorgeschreven, zeg ik, want anders zoude zij geen godsdienst zijn, maar een eigenwillige dienst, en eene verdoemelijcke bygeloovigheid." 1. de voorHet beloop van het vasten deelt hij in drie stukken bereiding er van, 2. het vasten zelf, en 3. de nawerking. Van het eerste de voorbereiding tot het vasten schrijft hij „De plichten omtrent het godsdienstig vasten betreffen ten eerste de voorbereiding er toe, door welke men a. in tijds en vooraf te overwegen heeft de oorzaken van den bevolen vastendag, dewelke zijn zekere zware en buitengewone Oordeelgerichten van Godt, welke die zijn, en hoe groot en hoedanig die zijn, en de oorzaken, die deze Oordeeigerichten van den Hemel afhalen, onze zonden, 2 Chron. 20 3, met welke te overdenken wij :
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's