Honig uit den rotssteen - pagina 244
:
!
230
.
maar over heen lezen, denkende, voor zooveel ze dan nog denken: „Dat raakt mij althans niet!" En toch dat raakt u wel gewisselijk, maar zie, zoo invretend is nu de vloek der lauwheid, dat de lauwe ziel te lauw en onaandoenlijk is, om de insnijding van zulk een woord in zijn ziel nog te voelen.
De half en half ziel glijdt over alles heen. Zijn ziel is een ploeg zonder ploegschaar, die heenschuift tusschen de aardkluiten zonder een vore te snijden in den akker. De Schriftwoorden spatten op den buitenkant van zijn ziel af als waterdroppen op een gloeiende plaat.
En nog op
zijn sterfbed zal
men hem
voorlezen, of zal
zelf lezen
hij
lauw zijt, zal ik u uit mijnen mond spuwen !" zonder dat zijn hinkend hart er ook maar op komt, dat hij die lauwe is. En zoo gaat het op een eeuwigheid, tot God doet naar zijn woord en hem werkelijk uitspuwt met goddelijke minachting en walgende
„Omdat
gij
verachting.
En kan het anders? Ze zijn kerksch die half en half lieden ze willen gerekend worden, nu niet bij de fijnen, maar toch onder de godsdienstigen ze geven wel iets; en zijn erg tegen de overdrijvende modernen; maar God liefhebben; in ijver voor 's Heeren zaak ontgloeien; om Gods wil met de wereld breken; zeggen: „Heere, voor U geheel en al!" roepen: „God, wees mij arm zondaar genadig!" dat nooit; of het moet zijn in een gezang dat ze toch meezingen meêglijdend met alles wat glijdt en glibbert in de oppervlakte van hun leven. Och, ze zijn zoo wijs die half en half zielen Ze passen zoo op voor eenzijdigheid, en van de uitersten hebben ze zoo'n ingeboren afkeer En wat zoudt gij nu doen als gij in Gods plaats waart? Zoudt ge ;
;
—
:
!
dan denken: „Er onder
is
toch iets liefde
bij
die lieve vreedzame
elkaar allen wél van elkander spreken
menschen,
welaan, dat beetje van hun liefde neem ik voor lief?" Neen zeg ik u, maar ge zoudt ze van u stooten en van u werpen, roepende: „Yoor uw God alles of niets!" Een moeder in huis mag geen vrede nemen met een soort koele genegenheid als haar kind voor eiken vreemden bezoeker over heeft. Een vader mag er zich niet bij neerleggen, als zijn zoon hem een koele plichtpleging gunt. „Mijn zoon, geef mij uw hart!" blijft de diepe toon waarmee elk vader op zijn kind behoort toe te treden, en als de vader met minder zich gezeggen laat, deugt zijn eigen vaderhart niet. En zoo nu ook kan, mag God zoo waarlijk en waarachtig Hij God is, met niets minder, met niets geringer vrede nemen, dan met een liefde waar gloed in zit, waar vuur in tintelt, een liefde die leeft. „Koud voor God" dat kan nog. Koude is nog een kracht, een zich inzetten tegen den Heere, een inslaan van de verzenen tegen de prikkelen. Wat eerst steenkoud is, kan straks uit reactie machtig die
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's