Honig uit den rotssteen - pagina 169
;
155 niet door inspiratie, maar door de realiteit eens moest over de lippen van Messias, Zoo is dus uit de vooruitdoorlevinc] van Golojotha de zielsklacht in Psalm 32 p;eboren, en Christus, op Golo;otha zelf dien kreet der helsche
komen, die
komen
uit zijn ziel stootend, zei niets na en zei niets op, maar scheurde uit zijn bezwijkende ziel, wat er naar de schrikkelijkheid zijns doods en de oneindige diepte zijner gewaarwording, op dat oogenblik met volstrekte noodzakelijkheid over zijn lippen komen moest. Hij, het eeuwige Woord, de Zone Gods, was mensch, was vleesch, was ons gelijk geworden, de zonde alleen uitgenomen, gelijk in alle ding. Op het allerinnigst en teederst had hij onze menschelijke natuur met zijn goddelijke natuur vereenigd. Niets, hoe zou het, ging van zijn Godheid af, en toch uit teeder erbarmen, beschikt hij het, op voor ons onbegrijpelijke wijze zoo, dat toch die menschelijke natuur ongeschonden menschelijk bleef, zoodat wij waarlijk zouden kunnen getuigen: Ja, waarlijk ons vleesch! Als onzer één geworden! En aldus nu zijnde, was hij ingegaan iti het onze. In onze diepe ellendigheid in ons zondig en verdorven leven in dezen puinhoop, dien we wereld in deze ruïne, die we ons menschelijk leven noemen wandelende op dien ontzettenden, ondermijnden en onderwoelden bodem, die onder zich den vulkaan verbergt van de hel. En uit die hel steeg de walm des doods op, om vol van den toorn Gods op heel dat menschelijk leven loodzwaar te rusten en het te verteren in vloek en doem. En terwijl nu alle anderen dat meden, daarvoor wegschuilden, en door Gods wondere genade nog beschuttingen bezaten, om zich voor een tijdlang aan die schrikkelijke, doodende vernieling te onttrekken, moest hij dam' nu in; moest hij dat willens zoeken^ moest hij dat alles op zich concentreeren, moest hij niet rusten, eer het diepste en bitterste van dien dood was gesmaakt. Van dien dood, dat is van het sterven óók, ja, maar dan wel te verstaan van het sterven niet zooals wij dat zien, maar van dat sterven, met zijn eeuwigen diepen kuil, die er onder ligt, met zijn helsche benauwing, waarin het eindigt, en met al den toorn Gods tegen het onheilige, dat aan en in dien dood kleeft. De Dood, dat is tegen het Leven in, en het Leven is God dus de dood is een vijand Gods; de dood is God op zij dringen de dood is zonde; al de zonde; en God, omdat Hij het Leven is, kan niet anders dan eeuwig toornen tegen zonde en dood in. En al zult ge het diis nooit oplossen en nooit uitleggen kunnen, Uw Heiland heeft den dood gesmaakt, of hij heeft dit staat vast: dien niet gesmaakt Zoo niet, waar, o, kinderen des Koninkrijks, is dan uw hope? Maar, indien wel, zeg mij dan, gij die u een verloste noemt, wat dood heeft dan uw Heiland voor u 2;edras:en? Alleen maar den door-
benauwing
;
;
;
;
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's