Het heil in ons - pagina 35
25
waar het leven beheerscht wordt door den toon der maatschappij. Die toon der maatschappij staat hooger of zinkt lager naar gelang de gt^est der natie, de volkszin, een ernstiger of loszinniger karakter draagt, en voor eiken zin of neiging hangt derhalve onberekenbaar veel af van de vraag: of het volk waartoe men behoort van God is afgevallen, of zich tot God bekeerd heeft. Leven we te midden van een volk dat van God is afgedoold, dan zullen de indrukken onzer jeugd, de indrukken die we door lectuur en gesprek ontvingen, de zondige geaardheid van het hart al meer naar buiten lokken, ons van de vreeze des Heeren afscheiden en ons op wegen brengen, waarin vaak de doordringendste stem der barmhartigheid niet meer wordt gehoord. Heeft daarentegen een volk zich metterdaad en waarheid tot
God
volkszin geheiligd, de volksgeest ernstiger geaangezicht der natie het merkteeken van haar Christelijken doop terug, dan is de verleiding zwakker, de bewarende kracht in de maatschappij sterker en dies de prikkel die tot onze consciëntie komt scherper. In het algemeen mag dus gezegd, dat
bekeerd,
worden,
is
komt op
de
het
een der hulpmiddelen is tot persoonlijke bekeering; werk van Gods voorbereid ende genade, waardoor Hij den dampkring dien we inademen veel van zijn stiklucht ontneemt, om het opgloren van de vonk onder de asch mogelijk te maken. Dien samenhang toonde Israël. Ook uit de heidenwereld zijn er bekeerd in de dagen des Ouden Yerbonds, maar hoe weinigen! Terwijl Israël in het choor zijner apostelen en profeten ons een wolke van getuigen biedt, volkshekeering
een
de ervaring des hoogeren levens jubelen. Yeilig mag dus bede volksbekeering in Israël meê één der middelen was, waardoor Jehovah Zebaóth zich deze keurbende voor zijn Koninkrijk geworven heeft. De geschiedenis van ons eigen vaderland geeft in haar verschillende tijdvakken gelijk verschijnsel te aanschouwen. In tijden, dat ons volk weer de knie boog voor God Almachtig en zich in stillen ootmoed bekeerde tot den Heere die het gemaakt had, zien we allerwegen in steden en dorpen kloeke getuigen opstaan, die spreken die
uit
weerd,
dat
van en sterven willen voor de hope des eeuwigen levens, die in hen is, en van wier persoonlijk genadeleven een kracht, een bezieling, een energieke aangrijping is uitgegaan, die op elk terrein des levens de nationale kracht heeft verhoogd.
Het
verschil
met dat verleden
is
on-
bekeeren tot den levenden God, maar zijn ze niet minder in aantal, armer aan genade, koeler in vaak der verkwijning nabij, meer in het stille schuilend, dan liefde, licht uitstralend naar alle kant, gelijk een stad op den berg doet, als de donkerheid van rondom op de vlakte is neergedaald? Yan de bekeering tot ingetogener leven geldt hetzelfde. Ons vorig artikel toont hoe weinig blind we zijn voor het bedenkelijk gevaar dat in zulk een uitwendige bekeering schuilt en hoe vaak juist daardoor het hart, in deugd en glorie zich verheffend, zich hermetisch loochenbaar.
Ook nu
zijn er zielen die zich
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's