Practijk der godzaligheid - pagina 248
een Farizeesche poging om een droef gelaat te toonen, maar toch om alle zelfbehagen aan sieraad en opschik en prachtige gewaden verre te houden. Men rustte van zijnen gewonen arbeid. Ook hierop stonden onze vaderen streng, en om elke verleiding te weren hadden ze liefst, dat de gemeente het grooter deel van den vastendag in de kerken doorbracht; niet om den ganschen dag zich te fermoeien op één zelfde maar door ook in de uren tusschen de diensten een stille zitplaats, plek in het kerkgebouw in te nemen, waar men zich met zijn vrienden voor den Heere stelde en openlijk belijdenis deed van schuld. Het was de gemeente als zoodanig, die op zulke dagen bad en treurde, en daarom zag men liefst dat de gemeente als een geheel saambleef en als een geheel zich voor haar God stelde. Vandaar die aandrang, om zoo mogelijk niet naar zijn woning terug te keeren, maar saam te blijven in aanbidding voor den Heere. Huiselijk ingesteld droeg dit vasten een gewijzigd karakter. Yoor een enkel huisgezin hield men een vasten, óf in dagen van bitteren rampspoed, óf als door de zonde van één der leden of ook door twist en gekrakeel de heilige levenstoon verbroken was. Ze werd dan verordend door den vader als hoofd en priester des gezins, niet bij manier van straf, maar als breking in den stroom en tot „verootmoediging der zielen," gelijk Israël het noemde. Aan het einde van zulk een dag was bijna altijd vrede en heilige zin teruggekeerd en voor lange dagen de geest des gebeds hersteld. Ook persoonlijk kwam dit vasten voor; als de verstoring van den vrede der ziel niet het huisgezin als zoodanig, maar een enkel lid betrof. Wat men vaak vernam, dat iemand, wien een bitter verdriet was aangedaan, weigerde dien dag te eten, of als hem een rouw overvallen was, dien dag geen spijze kon nemen; zóó zelfs dat men vaak hoort: „Het zou mij onmogelijk geweest zijn om iets te nuttigen!" gold bij dit vasten ook op godsdienstig terrein. Ook de smart over den verloren vrede Gods, de bittere grieving over het verdriet dat men den Heere met zijn zonde had aangedaan, kwam destijds vaak zoo machtig en overweldigend over de ziel, dat de lust om spijs te nemen verging, of ook dat men opzettelijk het nemen van spijs meed, om het vleesch zwak te houden en de stemming des gemoeds lager te stellen voor den Kenner der harten.
Nog komt
zulk vasten voor.
minder dan weleer. Men is er aan ontwend. Men lacht er schier om. Velen zien vreemd op, als ze van vasten hooren. Ze dachten dat hoorde alleen
Toch
veel
de Eoomschen thuis. Och, het schijnt wel of de hygiëne voor het lichaam thans heel het hoofd inneemt en men voor de hygiëne der ziel elk offer verspild acht. Zoo woedt de hartstocht teugelloos voort.
bij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's