Het heil in ons - pagina 37
27
„wedergeboorte"
niet
voor.
Toch kan
„wedergeboorte" geen nieuw
licht is gebracht; want een leeraar in Israël en weet gij deze dingen niet?" zou onbillijk en hard zijn geweest, indien het wedergeboren worden uit water en geest niet reeds aan Israël ware geopenbaard. Er blijkt iets anders uit. Niet dat Israël van geene wedergeboorte wist, maar dat steeds en bij elks hart de roepstem tot bekeering aan het spreken over het mysterie der wedergeboorte moet voorafgaan. Gods openbaring is in majestueuse volheid één roepen van den ontfermenden God tot zijn verloren schepsel, een roepen dat zich over eeuwen uitstrekt, een stemme Gods die, gedurig in voller toon uitvloeiend, dezelfde grondgedachte al rijker, steeds doordringender, steeds met wc^•3leepender kracht tot Israël brengt, en daarin onveranderlijk voorbeeld van den toon, van de wijs, van de rangorde, waarin ^le roepingen Gods ook nu nog tot het menschenhart komen. En wat spelt dan die openbaring Gods? Begint ze, na den val in zonde, op leerstellige wijs den mensch het diepste aller raadselen te ontsluieren en leidt ze hem in het mvslerie des Heiligen Geestes binnen, wiens blazen is als het geluid van den wind, dat Hi.] komt en men weet het niet en Hij gaat en men merkt het niet? Niets er van. God is een ontfermer en dies troost Hij den in eigen schande weggezonkene. God de Heere kent de diepte zijner wonde, en weet dat levensindrukken meer dan klanken op hem vermogen zullen, en dies ontrolt de Heere achtereenvolgens in het midden der gevallen menschheid de ontzettend ste, de aangrijpendste tafereelen, waarin Hij telkens als de Ongeziene het zoekend oog tot zich trekt en meer dan de mensch zelf vermoedt op hem werkt. Feitelijk baart Hij ze weder door zijn Heiligen Geest de patriarchen vóór en de patriarchen na den Zondvloed feitelijk doodt Hij in hen het eigen ik, breekt ze af in zichzelf en doet ze het zoet der genade smaken feitelijk lokt, roept, trekt Hij ze, dat ze zich bekeeren en verzoening vinden; maar tot een verklayHng van die werkelijkheid komt het nog niet. Eva noemde haar eersteling Kaïn, „dien man heb ik van den Heere verworven!" als ware in dien zoon haar Messias reeds geboren. Hoe ontzinkt haar die hoogmoedige gedachte, toen een moordenaar werd in wien ze een redder begroet had Adam troost zich bij het eenzame der wildernis en het wilde der beroofde aarde in het kroost dat hem geboren werd. Keeds een tweetal! Wat zalig genieten! Het eerste vaderhart dat in kinderweelde zwelt. Maar af snijdt de Heere dat heil in eigen bloed gezocht. Daar ligt Abels zielloos lijk bij het ruwe outer. En Kaïn .... de rampzalige, zwerft ver van zijn vader weg, zelf vader wordende van een nog rampzaliger geslacht. Aan Noach moet alles ontzinken, de wereld waarop hij leeft, het huis waarin hij woont, het geslacht waaruit hij opwies. Een wild golvend watervlak, dat zich ten graf
begrip 's
dat
zijn,
Heeren
woord
eerst tot
door
Jezus
Nicodemus:
aan
„Zijt
;
;
!
het
gij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's