Dat de genade particulier is - pagina 30
20
van wien ook woorden af te leiden, dat het zoenoffer van Christus ook bedoeld en bestemd zou zijn als aequivalent, om in plaats te komen van de zonden der geheele passende
bij", bezigt,
ontkend
worden,
om
moet dus ten ooit ofte
stelligste het recht
immer
uit deze
wereld.
Dat kan men met den Hollandschen tekst den lieden nog wel diets maken, maar is met de oorspronkelijke taal geen oogenblik vol te houden. En gesteld al dat de slotwoorden (wat we ontkennen) metterdaad beteekenen moesten: „de zonden van alle menschen die in de wereld zijn", dan nog zou er, strikt logisch en stipt taalkundig genomen, nog niets anders noch verders door den Heiligen Geest hier zijn uitgesproken, dan dat de Christus het inbegrip zelf van alle verzoening is, niet alleen voor zooveel aangaat onze zonden, maar ook met betrekking tot alle menschen. Iets wat dan nog niets anders zou beteekenen dan dit: „Aan een andere verzoening dan die in Christus is, valt ook voor de ongeloovige wereld niet te denken." En hiermee is de vinger reeds gelegd op een derde, niet geringer fout, die de drijvers der algemeene genade begaan. T. w. ze vatten het woord „verzoening" hier ook altijd op, als stond er „zoenoffer", 25 of wil men als stond er hetzelfde woord dat Paulus in Eom. 3 bezigt, als hij schrijft: „welken God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in zijn bloed." Dat nu is intusschen volstrekt 25 staat metterdaad in het Grieksch een niet het geval. In Rom. 3 woord, dat het verzoenings mic^c^é/ aanduidt, en dus ook den Christus rechtstreeks als het zoenmiddel laat optreden. Maar hier, en evenzoo in 1 Joh. 4 10, staat een heel ander woord, dat niet het middel, offer of instrument aanduidt, waardoor of waarmee de verzoening bewerkstelligd, gewrocht of teweeg gebracht wordt, maar integendeel de daad, het wezen, het inbegrip van de verzoening zelve. Gelijk de Christus nu elders zegt: „Ik ben de weg", hiermee bedoelende dat er buiten hem niets dan dwaling _en verdoling is, en niemand tot den Vader komt dan door hemr"oï ookzëgl;: „Ik ben het leven", hiermee aanduidend, dat er buiten hem niets is dan de dood; of ook zegt: „Ik ben de waarheid," om aan te geven, dat niemand waarheid vinden kan dan die ze uit hem ontvangt; of ook de apostel het van zijnen Meester uitspreekt, dat hij is „het licht", om hiermee te kennen te geven, dat er buiten hem niets is dan duisternis, donkerheid en eeuwige nacht, zoodat wie licht hebben zal, zóó nu ook en in geen anderen zin het uit hem nemen moet; spreekt hij het hier van dienzelfden Meester uit, dat hij is, niet slechts licht en leven, maar ook verzoening ; op geheel dezelfde wijs ook hiermee dus aanduidend, dat er buiten hem, voor al wie zonde heeft, dan wij of de wereld, niets is dan een dreigende toorn Gods, 't zij en dat niemand verzoening vinden kan, dan in en door hem. Kort :
:
:
—
;
gezegd:
het
element,
de volheid,
de schat, de algeheelheid der ver-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's