Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Honig uit den rotssteen - pagina 179

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Honig uit den rotssteen - pagina 179

3 minuten leestijd

165

En waar

ze eerst dacht: „o, Als God mij den geest maar heiligt, is het nu zoo heel andera, mijn geest wel vast maken!" Heere God, en zoo verkwijnend in besef van eigen machteloosheid ik kan het niet, maak Gij door iiw erbarmen den geest in mij vast\

zal

ik

:

LYTI.

I^ÏE raaftt jijn

Want

oogappel aan! die ulieden aanraakt, die raakt zijn 8b. Zach. 2

oogappel aan.

:

De macht van 's Heeren liefde voor zijn volk is zoo groot en. overweldigend, dat noch engel noch mensch, die ooit tot in haar oorsprong peilen zal. Er is in die liefde een oceaan. Ze welt op uit een diepte zonder grond of bodem. Ze is een eeuwige, ze is een goddelijke, ze is een almogende, een onweerstaanbare liefde, die zeer verre te boven gaat al wat ons koel, koud, kil hart zich in zijn stoutste idealen ooit van liefde heeft gedroomd. Haast begrijpt men dan ook niet, dat iemand, die de groote zaak deelachtig werd en dies in stille eenvoudigheid belijden mag: „Uit uit de duisternis zette zijn almogende genade mij over in het licht den dood droeg zijn teeder erbarmen mij over in het leven; uit den vure ben ook ik als een reeds brandend hout door zijn wondere ontdat zulk een, zeg ik, nog angst heeft, nog tobt, ferming uitgerukt" en nog neerzinkt in moedeloosheden. Ja, dat een kind van God gezift wordt als de tarwe; dat de geloofsfontein in hem verstopt raakt eu ophoudt te werken; en dat zijn ziel dientengevolge als een afgebonden lid in hem is, zoodat de levensgloed Christi uit hem week, en hij denkt: „Ben ik het nog wel? was het geen zelfbedrog? kind van God, ben ik dat wel ooit geworo, dat versta ik uitnemend. Den gerusten en nooit geden!" schokten misgun ik hun kalmen vrede niet; maar ik weet ook, dat verreweg de meeste van Gods lievelingen nog als de slinger op en neer schommelen; nu eens vlak bij den hemel, en dan weer reeds rakende aan de hel. Het is dan ook een zoo ontzaglijk groot iets, kind van God te zijn, dat iemand het eigenlijk nooit, niet één oogenblik van zichzeiven kan gelooven, tenzij de Heilige Geest op dat eigen oogenblik het in hem getuigt, er hem van overtuigt, en in weerwil van hem zelf, het hem mogelijk maakt, om het te gelooven. o, Die velen die het zoo natuurlijk vinden, dat ze bij de kinderen :

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's

Honig uit den rotssteen - pagina 179

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's